Tijd  2 uur 39 minuten

Coördinaten 3243

Geüpload 10 april 2016

Uitgevoerd april 2016

-
-
63 m
29 m
0
11
22
44,08 km

786 maal bekeken, 1 maal gedownload

nabij Zuidbroek, Groningen (Nederland)

Zuidbroek – Hellum -Schildmeer - Appingedam – Krewerd – Godlinze – Losdorp – Spijk

De oude Groninger kerken weerspiegelen de volksaard van de mensen die honderden jaren geleden in deze provincie woonden en werkten: nuchter, eerlijk, sober en krachtig. De vele prachtige oude kerken en kerkterreinen hebben stuk voor stuk veel te vertellen over de provincie en haar rijke geschiedenis. Inmiddels beheert de Stichting Oude Groninger Kerken 84 kerken, 2 synagogen, 8 losstaande torens, 5 pastorieën en 55 historische kerkhoven en terreinen. Door aankoop, restauratie en onderhoud blijft dit cultuurgoed voor Groningen behouden. Met uw steun kunt u, maar kunnen ook volgende generaties, genieten van deze niet weg te denken monumenten in het uitgestrekte Groninger landschap. Ook het interieur van de kerken, dat veel vertelt van het rijke verleden van stad en ommeland is zeer de moeite waard. De gerestaureerde orgels in onze kerken zijn internationaal vermaard en geven muziekliefhebbers de mogelijkheid om regelmatig van prachtige concerten te genieten.

Bekijk meer external

Schildmeer
Over de precieze ouderdom bestaat geen zekerheid. De archeologische vondsten gaan terug tot ongeveer 1140, al zijn er enkele oudere vondsten (waaronder een Badorf-kan uit de 10e eeuw) gedaan.[5]. Appingedam ontstond vermoedelijk rond 1100 op een van de dijken langs de Delf (het latere Damsterdiep) of een van de voorlopers daarvan. Bij de kruising van de Delf, de Groeve, de Groote Heekt en enkele handelswegen ontstond een nederzetting van schippers, koop- en ambachtslieden. In een document uit 1224 is voor het eerst sprake van een markt- of vergaderplaats (Forum), waarmee waarschijnlijk Appingedam wordt bedoeld. Over de beginperiode bestaan verschillende theorieën, die zich concentreren op de vermoede loop van het riviertje de Appe (zie daar). Een aantal auteurs (Hoft 1990; Ten Broek 1935-37) gaat ervan uit dat Appingedam is ontstaan aan een dam in de Heekt, de Appe of de Groeve. De nederzetting zou al hebben bestaan voordat rond 1200 de Delf (het Damsterdiep) werd gegraven. Als consequentie van deze opvatting wordt soms gesteld dat met de in 1057 genoemde plaats Geleviswert, waar munten werden geslagen, niet Garrelsweer maar Garreweer wordt bedoeld. Andere auteurs meenden dat Appingedam pas na het graven van de Delf is gesticht. Het stadje zou mogelijk zijn ontstaan aan een sluis of dam in de Delf (Kooke & Vermeulen 1978). Recent historisch-geografisch onderzoek heeft laten zien dat het Damsterdiep al voor het jaar 1000 moet zijn gegraven om de ontwatering van het achterland te verbeteren (Ligtendag 1995). Aanwijzingen voor het bestaan van een dam in de Delf zijn echter niet gevonden.
De bouwperiode van de oorspronkelijke kerk is onbekend: Een Latijnse tekst op het kerkgebouw lijkt namelijk te vermelden dat het gebouw in 1138 werd gebouwd toen Unico Ripperda actief was, maar later werd achterhaald deze tekst is waarschijnlijk een latere vervalsing (mystificatie) van de Ripperda's is om zich rechten aan te matigen. Het bewijs daarvoor is dat er een wapen bij staat van Focko Ukena[1] (het andere wapen is van Unico Ripperda). Als werkelijke jaartal wordt gedacht aan 1538, het jaar waarin de kerk waarschijnlijk weer is opgebouwd. Tjamsweer was in het verleden een plaats van enig belang, belangrijker zelfs dan Appingedam. Volgens Diest Lorgion (1852) werd in 1506 in de kerk van Tjamsweer onderhandeld over de later dat jaar in Termunten gesloten vrede tussen de stad Groningen en graaf Edzard I van Oost-Friesland.[2] Volgens Ter Laan (1954) werd het verdrag echter in Tjamsweer zelf gesloten.[3] In 1536 werden dorp en kerk echter verbrand door troepen van de Hertog van Gelre. De huidige kerk van Tjamsweer dateert, zo denkt men, uit 1538 en werd volgens gedenkstenen hersteld in 1598 (door Balthasar Ripperda) en in 1631. De fraaie toren zou volgens gevelstenen gebouwd zijn tussen 1748 en 1776 in opdracht van Margaretha Bouwina Rengers van het Huis te Farmsum. De klok uit 1679 werd oorspronkelijk gegoten voor de kerk van Bellingeweer. In 1880 werd de kerk gepleisterd en voorzien van grafrijstenen. De toren werd gerestaureerd in 1967-1968 en de kerk in 1976-1977. Op het omgrachte kerkhof rond de kerk staat de uit 1883 daterende grafkelder van de familie Alberda van Ekenstein, waarvan de neogotische ingang boven de grond staat. Boven de ingang prijkt het wapen van de familie. Ook staat er de graftombe van de familie De Boer uit 1884 en een tweetal eind 19e, begin 20e-eeuwse gietijzeren grafmonumenten, die werden gegoten in de Asser IJzergieterij in Foxham.
De Mariakerk in Oosterwijtwerd is een van de oudste bakstenen kerken in de provincie Groningen. Het romaanse bouwwerk staat op de dorpswierde centraal in het dorp. Het gebouw is eigendom van de Stichting Oude Groninger Kerken. Het exterieur werd gerestaureerd in de jaren 1990. Het interieur zal worden gerestaureerd in 2015. De datering van de kerk is onzeker. Karstkarel merkt op dat de kerk wellicht al voor 1200 kan zijn ontstaan [1], terwijl de Stichting Oude Groninger Kerken verwijst naar zowel dendrochronologisch onderzoek van de kap, dat zou wijzen op houtkap in 1237, als naar een beschrijving die de kerk dateert op einde 12e eeuw. De eenvoudige zaalkerk heeft een inspringende halfronde apsis, waarvan de muren licht taps toelopen. De apsis heeft drie rondboogvensters, waarvan het middelste is dichtgezet. De noordmuur van het schip heeft een spaarveld over de volle breedte. Hierin waren aan de bovenzijde kleine romaanse rondboogvensters geplaatst. In latere tijd zijn in de zuidmuur drie, en in de noordmuur een groter rondboogvenster geplaatst om meer licht in de kerk te laten. Bij de kerk stond een losstaande klokkentoren, die in 1664 instortte. Er werd daarna een dakruiter geplaatst. Deze heeft een windvaan met het wapen van de familie Ripperda. In de kerk zijn diverse rouwborden aanwezig voor leden van deze familie, die de heerlijke rechten van Oosterwijtwerd bezat.
Krewerd ontstond op een hoger gelegen kwelderrug in de Fivelboezem, die door de bewoners verhoogd werd tot een wierde, die later weer gedeeltelijk werd afgegraven. De ovaalvormige wierde heeft een radiale structuur, meet 235 bij maximaal 165 meter en steekt op haar hoogste punt ten westen van de kerk ongeveer 1,6 meter boven de omgeving uit. De sloot aan zuidoostzijde is mogelijk een restant van de ringsloot. De wierde ontstond mogelijk rond 500 v. Chr. (Late IJzertijd), maar mogelijk ook pas in de Romeinse tijd. Later werd de wierde zoals zoveel andere weer verlaten. Het dorp zelf werd gesticht in de vroege middeleeuwen, meer bepaald tussen ongeveer 800 en 1100 na Chr. Een en ander blijkt uit opgravingen waarbij naast inheems Romeinse ook vroeg- en laatmiddeleeuwse scherven zijn gevonden. De Mariakerk op het hoogste punt van de wierde werd volgens de Kroniek van Bloemhof gesticht rond 1280 door 'borgvrouwe' Tyadeke, die daarmee de parochie Krewerd (met Arwerd) met hulp van het Klooster Bloemhof afsplitste van Holwierde. De oudste vermeldingen van het dorp zijn (afgezien van die in de kroniek van Bloemhof) Creawerth (1396) en Crewart (1464).
Brug
De wierde van het dorp werd opgeworpen op een oeverwal van de Fivelboezem en werd in de loop der tijd opgehoogd tot 6,22 meter,[1] waarmee deze tot de hoogste wierden van Groningen behoort. De diameter omspant 375 meter. Bij opgravingen in 1919 door Van Giffen werd ten westen van het dorp het middeleeuwse grafveld van Godlinze blootgelegd, met graven en grafbijzettingen uit de Karolingische tijd. Vondsten werden gedateerd op eind 7e tot begin 9e eeuw.[2] Uit de rijke grafgiften blijkt dat er toen al een rijke elite moet zijn geweest. De naam van het dorp komt in de goederenlijst van het Klooster Werden voor rond het jaar 1000 als Godlevingi. De oorsprong is niet bekend. Mogelijk betekent het 'lieden van Godlev', waarbij Godlev (of Godlef) een adellijke Oostfriese mansnaam is. Een andere verklaring leidt het af van 'Godelinvigi', de 'plek waar Godlev woont' (een Keltische godheid). Een volksverhaal stelt ten slotte dat het afkomstig is van een verhaal; De inwoners zouden tijdens een watersnood honger hebben geleden en toen er erwten (linzen) aanspoelden, zouden ze dit als een geschenk van God hebben gezien. Waarschijnlijk werd ergens tussen de 10e en 13e eeuw ter bescherming tegen de zee een dijk aangelegd ten noorden van het dorp van 't Zandt langs Omtada (waar de borg Ompteda stond en nu de boerderij Omtadaburgh) en Spijk naar Wattum (Hoogwatum). Deze dijk brak meermalen door, zoals bij de Sint-Maartensvloed van 1686 en de Kerstvloed van 1717. Na de laatste overstroming werd in 1718 een sterkere dijk ten noorden daarvan gelegd, zodat latere overstromingen uitbleven. De oude dijk verdween grotendeels bij de ruilverkaveling in 1957, maar een restant (de Oude Dijk) ligt nog langs de weg van Spijk naar 't Zandt. Het dorp heeft een haventje, dat begin 20e eeuw nog in gebruik was, maar nu alleen nog voor de recreatievaart wordt gebruikt. Godlinze vormde vroeger een kluft van het waterschap Vierburen. Net als elders in het noordoosten van Groningen bestonden ook in Godlinze tegenstellingen tussen de rijke boeren en de arme landarbeiders. Na de Tweede Wereldoorlog vertrokken veel jongeren naar de opkomende industrieën rond Delfzijl en verminderde de grote invloed die boeren er van oudsher hadden. In dezelfde tijd zorgde de landbouwmechanisatie er echter ook voor dat de behoefte aan personeel sterk verminderde. In de loop van de 20e eeuw nam de bevolking en het aantal voorzieningen steeds verder af, een trend die nog werd versterkt doordat buurdorp Spijk werd aangewezen als economische groeikern, zodat nieuwe huizenbouw daar plaatsvond. In de jaren negentig werkten veel inwoners bij chemiebedrijven AkzoNobel en Dow Chemical in Delfzijl. Doordat het dorp nauwelijks groeide, is de radiale wierdestructuur er echter wel goed bewaard gebleven, al is dit ook bij de naoorlogse uitbreidingen van Spijk behouden gebleven. Godlinze maakte, tot de herindeling bij Delfzijl in 1990, deel uit van de gemeente Bierum.
De kerk van Losdorp (Johanneskerk) op het oude kerkhof werd in de dertiende eeuw gebouwd op de omgrachte wierde, maar heeft waarschijnlijk een houten voorganger gehad. Van 1775 tot 1776 werd de kerk sterk verbouwd (of beter: herbouwd), zodat het oorspronkelijke uiterlijk niet goed meer te zien is. De door een tussengeleding verbonden westtoren dateert van 1662, werd in 1848 verhoogd en heeft een vroeg-17e-eeuws smeedijzeren torenuurwerk. Het interieur van de kerk is nog volledig uit 1775, op het orgel na, dat in 1830 werd gebouwd door N.A. Lohman. De markante hervormde pastorie ten zuiden van de kerk aan de Fraeilemaweg werd in 1925 afgebroken en vervangen door een nieuwe pastorie, die later door weer een nieuwe werd vervangen. Tegenover de pastorie staat de oude kosterij uit 1900.
De vroeg-13e-eeuwse kerk die volgens een kerkzegel uit 1534 gewijd was aan de apostel Andreas brandde (samen met een aantal huizen) in de jaren 1670 deels af en werd in 1676 herbouwd als zaalkerk. In 1848 werd een aanbouw aan de huidige kerk van Spijk gebouwd. In 1902 verrees ter vervanging van een dakruiter uit 1711 het huidige karakteristieke 'torentje van Spiek' naar voorbeeld van de toren van de Mariakerk van Uithuizermeeden. De in 1709 door Titie Goossens gegoten klok werd in de Tweede Wereldoorlog omgesmolten. De huidige klok is van 1947 en het klokkenspel van 1961. De kerk werd gerestaureerd tussen 1967 en 1970. De rondlopende gracht om het kerkhof (tot 1859 gebruikt) is behouden door de loop der eeuwen. In de kerk staan onder meer een preekstoel uit 1902 die deels uit 17e-eeuwse elementen bestaat en een tweeklaviers kerkorgel uit 1884 van de firma L. van Dam en Zn.. Er ligt ook een aantal 17e- en 18e-eeuwse grafzerken.

Commentaar