-
-
30 m
2 m
0
8,5
17
33,84 km

5 maal bekeken, 0 maal gedownload

nabij Nieuwenhove, Flanders (Belgique)

Wat zeldzaam is of op het punt te verdwijnen, wordt dierbaarer. Zo ook onze hofsteden. Daarom deze fietsroute langs Waregemse hoeves.
Het Goed te Nieuwenhove is een hoevecomplex dat in zijn huidige toestand nog in grote delen teruggaat tot de 18e eeuw. Het gaat om het foncier van de vroegere heerlijkheid Nieuwenhove. Het foncier was het gedeelte van een heerlijkheid dat bewoond en ontgonnen werd door de heer zelf. Het grondbezig van de hoeve strekte zich uit aan beide zijden van de Gaverbeek en omvatte vooral zandkouters en natte weiden. Nieuwenhove was „het nieuwe hof‟ van de here van Vichte en bestond uit een kasteel met bijhorend neerhof. De eerste vermelding dateert van 1403 toen Olivier vander Vichte heer van Nieuwenhove werd. Het verdwenen kasteel wordt rond 1758 beschreven als een bakstenen gebouw met drie trapgevels. Dit kasteel brandde uit tijdens de Franse Revolutie.
Het complex lag oorspronkelijk binnen een grote omwalling, waarvan nu nog gedeelten bestaan. Het kasteel had binnen die grote omwalling nog eens een eigen gracht. De hoeve bestond toen uit een woonhuis, schuur, stallingen, paardenstallen, duiventoren en poortgebouw. Deze gebouwen waren gedeeltelijk in baksteen opgetrokken en gedeeltelijk in vakwerk en voorzien van strodaken.
Het poortgebouw bevat nog het schil van de heren van Nieuwenhove. Het woonhuis werd heropgetrokken in 1757, maar daarvan blijven alleen de twee zijgevels over. De rest van de huidige woning stamt uit het begin van de 19e eeuw. De duiventoren (de enige nog bestaande in Groot-Waregem) is volledig in baksteen opgetrokken met hoeken in witsteen. Het was een recht voor sommige heren om een duivenvlucht te houden en vooral om ze zonder enige schadevergoeding te laten eten op de omliggende akkers. Gezien de relatieve schaarste een graag als basisvoedsel voor de mens en dus zeker voor dieren, was pluimvee in de middeleeuwen een zeer dure delicatesse. De schuur, die nog volledig bestaat uit een eikenhouten skelet, dat rust op een baksteen plaat, is een mooi voorbeeld van landelijke architectuur. Het is een van de weinige nog resterende vakwerkschuren in Vlaanderen. Aan de achterzijde zijn nog resten van het vroegere plakwerk te zien.
Deze hoeve ligt net buiten het parcours. Wie er even heen wil volgt de Spitaalstraat en ziet de hoeve dan aan de rechterzijde.
Deze omwalde hoeve was de kern van de gelijknamige heerlijkheid. Ze was bezit van de Kommanderij van de Ridders van Malta. De Orde van Malta heette aanvankelijk de Orde van Sint-Jan, waarnaar de naam van de hoeve ook verwijst. Het goed moet reeds bestaan hebben in 1312 (opheffing van de Tempelorde), maar de eerste schriftelijke vermelding dateert van 1370. Toen maakte men ook melding van de Spitaalmolen, die van Sint-Jan afhing en de oudste molen van Waregem zou geweest zijn.
De heerlijkheid bestond uit een foncier van 26 bunder (ong. 40 ha) en bezat in Waregem nog 16 bunders (22 ha) rentegrond. Verder hadden ze nog percelen op Desselgem, Zwevegem, Tiegem en Wielsbeke. Deze heerlijkheid bezat ook de hoogste rechtsmacht en had om die reden dan ook een galg.
De plaatsnaam Spitaal, die men hier in de buurt veelvuldig terugvindt, verwijst naar een van de belangrijkste taken van de ridderorde van Malta, namelijk het herbergen en verzorgen van reizigers.
De hoeve bezat een kapel die reeds verdwenen was in 1788. Verder bezat de hoeve een duiventoren, varkensstallen, een schaapsstal en een bakhuis. Het woonhuis is zowat het enige dat nog is overgebleven van de vroegere hoeve, maar werd reeds grondig verbouwd.
Het Goed te Caysele behoorde tot het gebied van de heren van Ingelmunster, die heel dikwijls hun griffier op deze heerlijkheid onderbrachten. De hoeve brandde grotendeels uit op 25 juli 1851 door een blikseminslag en hield er een tijdlang de naam „t Verbrand Hof aan over. Vooral het woonhuis en de oostelijke schuur hadden van de brand te lijden.
De poort met de lage gebouwen links en het eerste deel van de grote schuur rechts van de poort gaan terug tot de 18e eeuw. Deze hoeve was vroeger ook volledig omwald. Merkwaardig is vooral de poort, waar vier kapitelen werden in verwerkt. In het midden van de poort vinden we een grote witsteen met een halfreliëf. Centraal in deze steen staat een uurwerk, eronder een moeilijk te herkennen schild, rechts een paard en links een man. Men beweert dat dit zou betekenen: „Boever, let op uw tijd‟. Boever staat hier voor boerenknecht.
Hoger Damme ligt op de rand van de Damkouter in het dal van de Krekelbeek. De omgeving van deze eeuwenoude site is nog vrij mooi en landelijk. Alle gebouwen staan nog op dezelfde plaats waarop we ze aantreffen op de kaarten uit de 18e eeuw. De oudste vermelding van de hoeve in de documenten van de Gentse Sint-Pietersabdij dateert uit het jaar 1396.
Het woonhuis zit onder één dak met de vroegere paardenstal en bestaat uit 18e- en 19e-eeuws metselwerk. De paardenstal werd in 1965 bij het woonhuis ingenomen. Het dak is versierd met het typisch dakruitertje met het klokje dat het volk voor de “getijden” of de maaltijden naar de hofstede moest terugroepen.
De dwarsschuur dateert uit 1875, jaartal dat in de noordelijke topgevel geschilderd is. Naast de schuur zijn er twee ruimten die bestemd waren als wagenhuis en bergplaats voor de koets. Het 18e-eeuws bakhuis of ovenbuur werd later verbouwd tot melkhuis. Merkwaardig is de overdekte poort die grotendeels uit 19e-eeuws metselwerk bestaat maar nog ook 18e-eeuwse delen vertoont. In de zoldertjes boven de poort overnachtten vroeger de “boevers” (boerenknechten) en de “trimards” (bietenmannen) die geregeld de grote hofsteden aandeden voor seizoenwerk.
Het Goed te Mele, gelegen in de Meelstraat ontleent zijn naam aan het Medelewoud of Methelawoud. Dat woud wordt in een oorkonde uit het jaar 965 als eikenwoud vermeld. Vanaf de 11e eeuw werd het gerooid om er geleidelijk aan hoeven te gaan bouwen. Het Goed te Mele is er één van. Vroeger was deze hofstede volledig omwald. De stallen en de aanpalende poort aan de straatzijde gelegen zijn merkwaardige gebouwen. De poortdeuren in olmenhout bleven vrij goed bewaard. Vanaf 1950 werd de eeuwenoude watergracht geleidelijk gedempt.
De benaming “Ter Hellen” dateert reeds uit 1572. Toen was deze hoeve bewoond door een zekere Betram Tanghe. De hoeve omvatte toen “huus, schuere, swijnscot, ovenbuer ende porte”. De betekenis van “ter hellen” is hier: afgelegen plaats. Deze omwalde hoeve is ontstaan als een 11e-eeuwse ontginning in het Medelewoud. Het poortgebouw is 18e-eeuws en heeft zijn olmenhouten poortvleugels vrij goed bewaard. Het woonhuis dateert van kort na 1834 en de stal ten noorden van dit woonhuis van na 1911.
De naam verwijst naar een oud toponiem in de buurt en betekent “bij een groep elzen”. De hoeve is ontstaan als ontginning in het Medelewoud. In de geschreven bronnen wordt ze voor het eerst vermeld in 1480. Het oude woonhuis is 18e-eeuws doch wordt sinds 1870 niet meer als dusdanig gebruikt. Omstreeks dat jaar werd een nieuw woonhuis gebouwd op de westkant van het erf. Eveneens omstreeks 1870 verdween het bakhuis of ovenbuur. Het moest plaats maken voor een sfeervormig gemetselde aardappelkelder die gedeeltelijk in de grond steekt en waarvan de bovenkant met aarde bedekt is. De schuur en de stallingen werden omstreeks 1860-1870 ook helemaal vernieuwd. De poortpijlers en het smeedijzeren hekken zijn 19e-eeuws. Omstreeks 1989-1991 werden alle gebouwen hier grondig gere-noveerd.
De naam stamt van de familie Schaec die in 1444 deze hoeve in haar bezit had. Tot voor kort is het Goed te Schaecx altijd een prachthoeve geweest. Vroeger lag deze hofstede besloten in een ruim stelser van watergrachten die nu grotendeels gedempt zijn. Op de zuidwestkant ligt de Stuivenberkouter, het akkerland van deze hoeve.
Zeer waarschijnlijk gaat deze hoeve terug tot een nederzetting uit de Frankische tijd, dus de 6e of 7e eeuw van onze tijdrekening. Omstreeks 1500 was de hoeve in het bezit van Olivier Roose, raadheer van de graaf van Vlaanderen in diens rekenkamer van Rijsel. Op de noordkant van het erf zien we het ruime 18e-eeuwse woonhuis. Op het dak prijkt een
dakruitertje met het klokje voor het kleppen van de getijden. Op de oostkant zien we de vroegere schaapskooi.
Deze hofstede had in de vorige eeuw een grote kudde schapen en daarvoor had ze een schaapherder in dienst. De schuur met daaraan gebouwd de koestal en de paardenstal, draagt het jaartal 1884 in de topgevel. Ze staan in één lijn op de zuidkant van het erf. Vóór de stallen staat een 19e-eeuws gebouw: een overdekte mesthoop. De poortpijlers zijn restanten van een vroeger ruim poortgebouw zoals dit op Hoger Damme of op het Goed ter Hellen.
De naam Robijn is ontleend aan een 18e-eeuws toponiem in de buurt van deze hoeve. Vroeger liep de nu ingebuisde Vennebeek er omheen. De twee 19e-eeuwse gemetselde poortpijlers met het smeedijzeren hekken en de twee lindebomen bij de ingang vormen het sieraad van deze hofplaats.
Het woonhuis dateert in zijn huidige staat uit 1865, te oordelen naar het jaartal in een arduintegel in de topgevel aan de straatzijde. De vroegere koestal was op de oostkant tegen dit woonhuis aangebouwd. Op de oostkant van het erf staat een 18e-eeuws gebouw dat tot voor kort als wagenhuis en paardenstal in gebruik was.
De schuur op de zuidkant van het erf moet gebouwd zijn tussen 1778 en 1834. Ze vertoont heel wat bouwfasen. Er zit ondermeer een aardappelkelder in verwerkt. Het 19e-eeuwse ovenbuur staat ten noorden achter het woonhuis helemaal verbouwd in functie van de tuinbouwhandel die in plaats gekomen is van de vroegere landbouwactiviteiten op de hoeve.
Verderop links in de straat zien we twee kleine landbouwuitbatingen uit vroegere tijden. De hofstede ten Poperputte heeft twee gemetselde poortpijlers met een sierlijk smeedijzeren hekken. Even verder in de diepte zien we een tweede hoevetje dat nu een boomkwekerij geworden is. De laag gelegen weide vóór deze hoeve heet van oude tijden “de Poperput”. Poper is een oud Vlaams woord voor “riet”.
De benaming Goed te Beaulieu duikt voor het eerst op in het jaar 1396. Daarvoor wordt deze site vermeld in het jaar 965 als “Beverna”. Het gaat hier inderdaad om de nederzetting die aanleiding gaf tot het ontstaan van het dorp Beveren. Het is duidelijk een 6e- of 7e-eeuwse Frankische nederzetting, dicht bij de Leie.
Oorspronkelijk was deze hoeve voorzien van een omwalling in achtvorm, dus met opperhof en neerhof. Het was hier, op de kouter ten zuiden van de hoeve, dat het eerste Beverse kerkje gebouwd werd. Op die plaats zien we nu nog enkel het kerkhof.
Het woonhuis is 18e-eeuws en staat niet op zijn oorspronkelijke plaats: het is met zijn voorgevel op een voor onze streek ongebruikelijke wijze naar het noorden georiënteerd. Oude kaarten wijzen er op dat het stond op de plaats van het huidige wagenhuis, dat dateert uit 1896. De schuur op de oostzijde van het erf is 19e-eeuws. De koestal werd omstreeks 1920 vernieuwd ter vervanging van een kleinere stal.
Het bouwvallig ovenbuur op de westkant is vroeg 19e-eeuws. Het oorspronkelijk poortgebouw is reeds lang verdwenen en vervangen door minder sierlijke betonpijlers. Van de omwalling rest nog maar een klein deel over op de noordkant. In de vorige eeuw was deze hoeve met haar ruime weilanden langs de Leie zeer belangrijk voor de vlasbewerking. Niet minder dan 80 “hekkens” of rootbakken lagen langs haar grondgebied in de Leie.
Langs het jaagpad komen we aan de achterzijde van deze hoeve. Ze situeert zich op de plaats waar vroeger een Leiemeander zeer dicht bij de kouter kwam. De hoeve werd dus op de kouterrand gebouwd en daarom lag er ook nooit een watergracht omheen. Ook deze site is te situeren in de 6e of 7e eeuw.
Haar oude naam luidde “Clervingem” of “Cleringem”. Door verschrijving werd het uiteindelijk “De Cleurvink”. Het woonhuis kreeg het in 1940 hard te verduren tijdens de Leieslag. Tot 1917 had het een strodak. De stallingen op de oostkant van het erf dateren uit 1889 (jaartal te zien in de zuidelijke topgevel). Ze zijn ondertussen sterk verbouwd. De dwarsschuur op de zuidkant is 19e-eeuws. Het ruime bakhuis, tevens zwingelhuis staat gemetseld in de afzink van de Leie. De hofplaats is afgesloten met twee gemetselde poortpijlers en een smeedijzeren hekken.
Wie het Munkenhof van dichterbij wil bekijken moet even de Leiebrug over naar de andere zijde van het jaagpad.
De naam is ontstaan uit Monnikenhof, het hof van de monniken van de Gentse Sint-Pietersabdij. Deze abdij kreeg deze hofdstede geschonken omstreek het jaar 964 vanwege de Vlaamse graaf Arnulf. In die bewaard gebleven schenkingsakte heet het goed “Thrassaldinghem”, wat betekent het hem of heem van de Thrassaldingers, dus de lieden van zekere Thrassald.
Thrassald moet een 6e of 7e-eeuwse Frank geweest zijn die op deze plaats dicht bij de rivier aan de rand van het vruchtbare kouterland zijn hoeve bouwde. Bij de kerstening (massaal bekeren tot het kristendom) van de streek werd bij de hoeve het eerste Desselgems kerkje opgericht, vermoedelijk op de plaats waar zich nu de gekanaliseerde Leie bevindt.
De bouwgeschiedenis van deze hoeve is dankzij de goed bewaarde archieven van de Gentse Sint-Pietersabdij, goed gekend. Zo weten we dat dit groot pachthof in 1598 door de geuzen van Oostende volledig in de as werd gelegd. Tot dan bestond het grotendeels uit een houtconstructie met plak-en-stakwerk. Nu nog ziet het gebouwencomplex er indrukwekkend uit.
Het poortgebouw (in 1992 gerestaureerd), de oude brouwerij met de vroegere gevangenistoren (herbouwd in 1983-1984) bevinden zich op de zuidwestkant. Het woonhuis met de 19de-eeuwse tabakast sluiten daarbij aan op de noordwestkant van het erf. De ruime koestallen bevinden zich op de noordwestkant en op de zuidoostkant zien we een ruime schuur met de laat 19e-eeuwse brouwerijgebouwen.
Het gebouw midden op het erf is 19e- en 20ste-eeuws. Het grote ovenbuur of bakhuis en het wagenhuis staan ten oosten achter de koestallen. Vroeger stond het wagenhuis midden de ruime hofplaats. Van de ruime achtvormige watergrachten is helaas maar een fractie bewaard gebleven. Het zal niemand verwonderen dat de bewoners van dit grote pachtgoed doorgaans de baljuws en burgemeesters van Desselgem leverden.
De oudste vermelding van de naam van deze vroeger volledig omwalde hofstede treffen we aan in een document uit 1415. In een sluitsteen die nu in de gevel van het woonhuis gemetseld zit, staat het jaar 1749 vermeld. Dat moet het jaar geweest zijn waarin het woonhuis volledig nieuw en in baksteen herbouwd werd, dit in vervanging van het plak-en-stak gebouw van vroeger.
Tijdens de Leieslag van mei 1940 hebben alle gebouwen hier sterk geleden. De schuur brandde volledig uit. De paardenstal ten westen van het woonhuis werd gebouwd in 1914 en intussen bij de woning ingenomen. In 1920-1921 verdween het poortgebouw dat vergelijkbaar was met dit van het Goed te Mele in de Meelstraat. De landbouwactiviteiten op ter Linden gaan onverminderd verder. Vandaar de vele recente functionele gebouwen die de oude toestand evenwel bijna onherkenbaar maken.
De naam van deze mooie hoeve werd eerst opgetekend in 1458. Tot op heden is voor die naam nog geen verklaring gevonden. Ook deze hoeve was omringd door een vierkante watergracht die nu totaal gedempt is. Het woonhuis is laat 18e-eeuws en heeft reeds een verdieping wat uitzonderlijk was voor die tijd. Het is nog versierd met een dakruitertje met windhaan en getijdenklokje.
In de 19e en 20ste eeuw werd het woonhuis uitgebreid. De stallen op de zuidzijde van het erf dateren eveneens uit de 18e en 19e eeuw. De schouw in dit gebouw wijst er op dat hier nog ooit een woongelegenheid was voor inwonend personeel.
De schuur op de westzijde van het erf is in de loop van de laatste decennia totaal verbouwd tot stalling. Op de oostkant van het erf staat het 19e-eeuws wagenhuis. Het ovenbuur verdween hier omstreeks 1950. De kloeke overhoeks gemetselde poortpijlers en het smeedijzeren hekken zijn 19e-eeuws. Vroeger was ook hier een gemetseld poortgebouw met houten poorten zoals op het Goed te Mele en het Goed ter Hellen.
Op de rechterkant van de straat zien we een mooi voorbeeld van een hoevetje van het langgeveltype. Een “koeiplekje” dus. Het woonhuis op de oostkant zit er onder één dak met het stalletje en het schuurtje. Vroeger stond er nog een schuur op de oostkant van het erf. We weten dit dankzij het 18e-eeuws landboek van Sint-Eloois-Vijve. Het ovenbuur op de zuidkant van het erf bestaat nog.
Onmiddellijk aan de linkerzijde van de straat ligt het Goed te Mullem. Op het landboek van Sint-Eloois-Vijve uit het jaar 1764, zien we deze hofplaats toen al met zes gebouwen. Men kan vaststellen dat er sedertien nog heel wat zijn bijgekomen. Er werd uitgebreid en verbouwd zodat nauwelijks nog iets origineels uit de 18e eeuw te bespeuren valt.
Ten zuiden langs de straat voor de hoeve zien we een 20ste-eeuwse tabaksast, nu buiten gebruik. Bij de toegangspoort werd een vroegere zwingelarij gesloopt. Het gebouw langs de straat naast de huidige inkompoort, vertoont zeer veel bouwfasen.
Het woonhuis staat ietwat ongewoon op de westkant van het erf met de voorgevel naar het oosten gericht, zoals ook in het landboek weergegeven wordt. In 1905 brandde dit woonhuis volledig uit en werd kort nadien heropgebouwd. In 1991 werd het grondig gerenoveerd. Paardenstal, koestallen en de oude dwarsschuur staan aan elkaar gebouwd op de noordkant van het erf. Ze vertonen zeer veel opeenvolgende bouwfasen. Het bouwvallig ovenbuur staat helemaal ten westen achter het woonhuis, nog op dezelfde plaats als in 1784. Op de zuidkant van de hofplaats staat een omstreeks 1900 gebouwde zwingerlarij en in het midden bevindt zich een sterk verbouwd wagenhuis.
De meeste van de voornoemde gebouwen zijn inmiddels onderling verbonden en inwendig totaal verbouwd in functie van de fruitteelt, de huidige hoofdbezigheid op de hoeve.
Er is verder nog enige activiteit van varkenskweek en zoogkoeien. Helemaal ten noordwesten achter de hofplaats, staat een grote vlashangaar die nu gebruikt wordt als fruitopslagplaats. Ten westen achter het woonhuis staat een soort waterreservoir met een werkhuis dat dateert van omstreeks 1940.
Toen werd op de hoeve een tijdlang een tulpenbollenteelt gedaan. Voor onze streek dient deze hoeve eerder onder de grotere gerekend te worden. Ze omvatte ooit 33 ha en de trekkracht werd er verzekerd door 5 paarden. Het laatste paard verliet in 1972 de hoeve. Het was in de bloeitijd van de vlasnijverheid tevens een belangrijke vlasroterij, dankzij de vele Leiemeersen waarover de hoeve beschikte.
Hier zien we een historische hoeve die erg geleden heeft tijdens de Leieslag in mei 1940. Het woonhuis brandde volledig uit met alles wat er in was. De eigenaar, de heer Lefevere de ten Hove uit Gent, liet nog datzelfde jaar een nieuwe woning bouwen volgens plannen van de Gentse architect Carette.
Van het oude huis zijn nog een paar sporen overgebleven in de kelder op de oostgevel met ook een restant in de achtergevel. Op de westkant is een deel van de oude westgevel bewaard gebleven. Het langwerpige gebouw langs de straat is samengesteld uit een aantal onderdelen die uit verschillende tijdstippen stammen.
In het centraal gedeelte waar nu de doorgang is, zijn er restanten van het 18e-eeuws poortgebouw. Zowel op de linker als de rechterzijde daarvan werden er in de loop van de 19e en 20ste eeuw bergingen en stallingen gebouwd.
Uiteindelijk geraakte dit geheel in de loop van de 20ste eeuw onder één lang zadeldak. Op de zuidkant van dit lang gebouw zat ooit het ovenbuur of bakhuis naas een chicoreiast. Op de westkant van het erf zien we een lange dwarsschuur uit de vroege 19e eeuw. In de oostgevel zitten drie doorgangen met lager gebouwde poorten voor het wegtrekken van de leeggemaakte wagen.
De rechtse doorgang werd als wagenhuis gebruikt. Op de westkant achteraan de schuur is een moderne varkensstal aangebouwd. Op de zuidkant van het erf is er een overbouwde mesthoop met een ruime koestal, beide dateren omstreeks 1930.
In het verlengde van deze koestal zijn er restanten van een andere stal uit de 19e eeuw. Globaal gezien stemt de inplanting van de gebouwen nog overeen met die van het landboek van Vijve uit 1764. De gebouwen zijn evenwel sterk gemoderniseerd en de ruimten ertussen zijn dichtgeslibd door allerlei kleine gebouwen.
Hier komen we bij de ongetwijfeld best bewaarde hofstede van Vijve, zeker wat de gebouwen betreft. die hebben nog duidelijk hun losse stand die we reeds zien op het Vijfse landboek uit 1764. Het erf wordt afgesloten met twee kloeke gemetselde pijlers en een smeedijzeren hek dat uit de vorige eeuw stamt.
Vroeger was de hoeve omwald in het vierkant. Behalve de onwelriekende beek met afvoerwater van een nabijgelegen verkaveling op de zuidkant van het erf aan de Lourdesgrot, is van deze watergrachten niets meer overgebleven. De vrij ruime hofplaats is hier nog met gras begroeid zoals het destijds wel overal zal geweest zijn.
Op de oostkant van het erf zien we de ruime stallen die uit de tongewelfjes gemetseld tussen staalprofielen. Het opschrift “Hof ter Linden” op de noordgevel van de stal is evenwel een uitvinding van de bewoners. “Goed ter Steene” is de benaming uit de archiefstukken.
De ondervinding leert dat dergelijke “steentoponiemen” wijzen op Gallo-Romeinse be-woning in het begin van onze tijdrekening.
Op de oostkant achter de stallen zien we een ruime overdekte mesthoop, ook 19e-eeuws. De strook tussen beide gebouwen is afgedekt en het geheel is in gebruik als veestal. Op de zuidkant van het erf zien we een zeer mooie dwarsschuur. Ze valt te dateren op de wisseling van de 18e en 19e eeuw.
Deze schuur omvat twee doorgangen, een wagenhuis met graanzolder en twee aard-appelkelders. Het dakgebinte in olmenhout is bijna perfect bewaard gebleven. In de oostelijke zijgevel zien we een drietal varkenshokken en een “vertrek” van de oude stempel. Merkwaardig is hier de gemetselde buitentrap met deurtje dat toegang geeft tot de graanzolder boven het wagenhuis. De topgevels hebben nog hun oude gemetselde “schichten”.
Het woonhuis op de noordkant van het erf, staat traditiegetrouw naar het zuiden georiënteerd met zijn lange voorgevel. De acht ramen met hun luiken en de inkomdeur zijn mooie voorbeelden van vroeg 19e-eeuws schrijnwerk. Sporen van een kleiner en smaller 18e-eeuws woonhuis zijn te zien op de oostelijke zijgevel en op de hoek van de achtergevel.
Daar zien we de kelder met de voutekamer erboven. Helemaal ten noorden achter het woonhuis staat een prachtig laat 18e-eeuws ovenbuur. De achterzijde met de oven, werd herbouwd en uitgebreid in de 19e eeuw zodat het geheel nu onder één zadeldak steekt.
In de meeste gevallen heeft de oven een lager uitvallend zadeldakje. Op de oostkant van het woonhuis, ten noorden van de stallen, staat nog een kleine laat 19-eeuwse stal gebouwd. Hij vertoont allerlei aanbouwsels uit de 20ste eeuw.
Op de westkant van het erf staat een primitief 20ste-eeuws “alaamkot”. Buiten het erf getuigen verlaten rootputten en een grote vlashangaar van de drukke vlasactiviteiten van weleer. Momenteel is de uitbating voornamelijk gericht op zoogkoeien en vleesproductie.
De eigenaars hebben als opschrift aan deze hoeve “t Cauwenhof” opgehangen. Zeker is evenwel dat de familie Cauwe hier nooit gewoond heeft, wel even verderop in de “Tapuit”. De gebouwen van deze hoeve zitten achter een welig groenscherm verborgen
Het woonhuis op de noordzijde van de hofplaats is totaal verbouwd in de loop van de laatste veertig jaar. De schuur op de westkant van het erf is een tiental jaren geleden ook tot woonruimte verbouwd. Van de stallingen langs de straat is een deel gesloopt en de rest dient als bergruimte. Er is hier geen landbouwactiviteit meer. In 1764 was het nog een bedrijf van een goede 22 ha.
Aan de rechterkant van de Industrielaan ligt een mooi hoevetje op een mote of aarden ophoping. In de 18e eeuw was het woonhuis daarbij nog omwald. De bedrijfsgebouwen lagen buiten de omwalling. Het woonhuis en bijgebouw werd volledig vernieuwd.
Deze hoeve lag vroeger vlak tegen de bossen aan. Wat verderop over de E17 zijn er nog grote restanten van die bossen. Deze hoeve ontleende haar naam aan de blauwe kleur van de poortdeuren.
Ze is reeds sedert 1274 eigendom van het Hospitaal (nu OCMW) van Kortrijk.
Het goed werd door de zusters aangekocht van ridder Walter van Hamme, baljuw van Kortrijk. Het was een belangrijke uitbating die jarenlang bewoond werd door de familie Putman. Deze familie leverde in de 18 eeuw verschillende burgemeesters in Waregem.
Opvallend is het poortgebouw dat in meerdere fasen werd omgebouwd tot cichoreiast. Het gebruik van cichorei als vervangmiddel voor koffie kende een grote uitbreiding door de Continentale Blokkade van Napoleon tegen Engeland.
Wellicht werd het poortgebouw dan ook in de 19e eeuw omgebouwd. Deze ast is een van de weinige in de streek, die nog steeds werkt. Typisch voor de cichoreiasten was ook de weegbrug, die we hier aan de overkant van de straat terugvinden. Het woonhuis en de schuur vertonen diverse bouwfasen, die teruggaan naar de 18e en 19e eeuw. Er zijn ook nog restanten van een omwalling die vroeger zeer uitgebreid was.
Over de geschiedenis van de hoeve weten we eigenlijk voorlopig heel weinig. Ze stond wel in het 18e eeuwse landboek. Volgens de schets daar had ze geen omwalling. Het was wel een vrij uitgebreid gebouwencomplex, bestaande uit een woonhuis, een bakhuis, een poortgebouw en een tweetal andere bedrijfsgebouwen.
De naam die op het dak van de hoeve prijkt, komt uit de Tweede Wereldoorlog. Toen was deze hoeve de verzamelplaats van het verzet in Waregem en kreeg twee schuilnamen: Le Crèbe en de Doodaars. De schuilplaats zat onder een houtmijt die op de hoeve stond en van daaruit werden de acties van het verzet, o.a. wapentrafiek gecoördineerd.
Tegenover het Goed te Ketelshove, ligt het Goed te Lepelbooms eveneens eigendom van de heren van Nieuwenhove. Ook deze hoeve werd reeds vermeld in 1487. Het is echter niet duidelijk of het hier gaat om de Grote, dan wel de Kleine Lepelboom. De hoeve is vrij mooi bewaard. Een lepelboom is een grote Noord-Amarikaanse heester, die hier ooit in onze streken werd ingevoerd.
Aan de linkerzijde van de brug van de E17 ligt het Goed te Ketelshove. Deze hoeve waarvan reeds meldingen zijn in 1487, behoorde tot de eigendommen van de heren van Nieuwenhove. Het kasteel had trouwens wat verder achter deze hoeve zijn grote boomgaarden. De hoeve is intussen sterk verbouwd. Alleen het woonhuis met zijn dakruiter heeft nog een zekere bouwtraditie.

Commentaar