Prenen luc
4 1 15

Moeilijkheidsgraad   Middelmatig

Coördinaten 422

Geüpload 13 mei 2017

Uitgevoerd mei 2017

-
-
328 m
52 m
0
28
56
111,49 km

381 maal bekeken, 17 maal gedownload

nabij Valkenburg, Limburg (Nederland)

De toertocht begint en eindigt op de parkeerplaats bij het NS-station in Valkenburg.
Deze toertocht is bedoeld voor motorrijders met oog voor (de wording van) het Nederlandse landschap. Op de site www.fjreedijk.nl/motorgeografie zijn ter oriëntatie korte beschrijvingen te vinden van de 6 Nederlandse landschappen: lösslandschap, zandlandschap, rivierenlandschap, veenlandschap, zeekleilandschap en duinlandschap.
De onderscheiden landschappen worden verkend middels 12 toertochten met allerlei landschappelijke en historische wetenswaardigheden. Daarnaast zijn er nog een aantal extra toertochten opgenomen die niet aan één specifiek landschap zijn gekoppeld.
Deze route is uitgezet in het krijt-lösslandschap van Zuid-Limburg. De route loopt afwisselend over plateaus en door beek-en rivierdalen. De randen van de plateaus worden gevormd door steile hellingen, die vaak bebost zijn. Door deze hellingbossen lopen smalle en bochtige wegen die dal en plateau met elkaar verbinden.
Let op: Voor het rijden op smalle en bochtige wegen in geaccidenteerd terrein is enige mate van rijvaardigheid gewenst, temeer daar tal van wielrenners de ‘bergweggetjes’ met u delen.
Het eerste deel van de naam Valkenburg verwijst waarschijnlijk naar de middeleeuwse valkerij, de kunst van het vangen en africhten van valken ten behoeve van de jacht. Het toponiem burg was oorspronkelijk het Middelnederlandse woord voor vesting, maar heeft daarnaast ook de betekenis van burcht of kasteel.
Kasteel Valkenburg is een kasteelruïne in het Zuid-Limburgse vestingstadje Valkenburg. De voor Nederland zeldzame hoogteburcht ligt op de Heunsberg, een uitloper van het plateau van Margraten.
Kasteel Valkenburg is in de loop van de geschiedenis verschillende keren verwoest. De laatste keer gebeurde dat in het rampjaar 1672. In dat jaar werden de Nederlanden van verschillende kanten aangevallen, o.a. ook door Frankrijk. Kasteel Valkenburg viel kortstondig in Franse handen met als doel Maastricht te veroveren. Toen Hollandse troepen erin slaagden Valkenburg te heroveren, werd besloten om het kasteel en de stadswallen zodanig te verwoesten dat de vestingstad nooit meer een bedreiging kon vormen voor Maastricht. Op bevel van stadhouder Willem III werd de hoogteburcht opgeblazen en de vesting ontmanteld.
Na een verwoestende stadsbrand in 1773 gebruikten de Valkenburgers de kasteelruïne als steengroeve om de verwoeste huizen in Valkenburg weer op te bouwen. De grote, bijna 30 meter lange noordmuur van het kasteel werd in zijn geheel gesloopt en ook andere muren werden omver gehaald. Gewelven werden ingeslagen en hardstenen raamomlijstingen uitgebroken.
De Fluweelengrot is één van de gangenstelsels onder het Limburgse stadje Valkenburg. De ondergrondse groeve is ontstaan door kalksteenwinning voor de bouw van Kasteel Valkenburg en ligt onder de kasteelruïne. Na de afronding van het kasteel werd de kalksteen gebruikt voor de bouw van huizen. Door de winning van kalksteen is een uitgebreid labyrint van gangen en tunnels ontstaan. In 1937 werd een heel nieuw gedeelte van de grot blootgelegd, waarbij per toeval diverse geheime vluchtgangen van het kasteel naar de grotten werden ontdekt. Deze gangen maakten het mogelijk het belegerde kasteel ongezien te ontvluchten en de vijand in de rug aan te vallen of bevoorrading te halen.
Als je vanuit de lucht naar Zuid-Limburg zou kijken dan zie je dat het heuvelland in feite een plateau is, doorsneden door rivier- en beekdalen. De randen van de plateaus worden gevormd door steile hellingen, die vaak bebost zijn: hellingbossen.
De aanwezigheid van de karakteristieke bos- en bosrandvegetatie hangt nauw samen met het in voorgaande eeuwen gevoerde hakhoutbeheer. Om in de behoefte aan brand- en geriefhout te voorzien, werd het hakhout periodiek gekapt. Enkele bomen, zogenaamde overstaanders, werden soms gespaard om uiteindelijk timmerhout te kunnen leveren. Een aldus beheerd bos wordt een middenbos genoemd. Dankzij het cyclisch beheer drong er periodiek veel zonlicht tot de bodem door, wat de groei van kruiden en struiken mogelijk maakte.
De kalkrijke ondergrond in Zuid-Limburg geeft een extra dimensie aan de natuurwaarde van de hellingbossen die als middenbos zijn beheerd en is verantwoordelijk voor de meeste plantensoorten die karakteristiek zijn voor deze bossen.
Toen na de tweede wereldoorlog hout als brandstof werd vervangen door andere producten, raakte de hakhoutcultuur in onbruik. Het hakhout groeide uit tot opgaand bos met een gesloten kronendak, zodat de bodem permanent overschaduwd bleef en er hoopte zich strooisel en humus op. Veel van de karakteristieke soorten kruiden en struiken zijn sindsdien geleidelijk achteruitgegaan en (zeer) zeldzaam geworden. Dit geldt ook voor de fauna.
Het Zuid-Limburgse heuvelland kent een grote dichtheid aan wegen en paden. Vele van de nog bestaande wegen hebben een al eeuwenoude oorsprong.
Door inslijting zijn holle wegen ontstaan. Eeuwenlang gebruik van hetzelfde pad, te voet of met paard en kar, leidde tot een natuurlijk erosieproces. Losgewoelde aarde spoelde af met het regenwater en op die manier diepte de weg zich jaar na jaar verder uit. Het is een proces dat ook nu nog optreedt zolang het wegdek onverhard blijft.
Holle wegen zijn typische landschapselementen voor heuvelachtige streken met een leemondergrond. De fijne leemkorrels kleven goed samen en laten de vorming van stevige, steile wanden toe. Naast een geschikte bodem is voldoende reliëf nodig, opdat het afstromend regenwater voldoende kracht krijgt om grond mee te voeren.
Holle wegen kennen vaak dicht beplante steile wanden. De knotbomen, boomstoven en struiken duiden op boerengeriefhout (hakhout dat in en rond het huis werd gebruikt).
Naast hun cultuurhistorische waarde hebben holle wegen ook een belangrijke natuurwaarde. In ons intensief gebruikte landschap zijn holle wegen van groot belang voor plant en dier. Ze herbergen soms het laatste restje natuur te midden van in cultuur gebrachte grond en ze dienen als verbindingsweg of stapsteen tussen bosjes en andere stukjes natuur die versnipperd liggen in de omgeving.
Door hun verzonken ligging heerst in holle wegen een microklimaat, zeker wanneer de bermen bebost zijn. Het is er windluw, schaduwrijk, vochtig, koeler in de zomer en zachter in de winter dan ‘erbuiten’.
De naam van de Geul is zeer oud. De huidige naam wordt voor het eerst vermeld in 1675, daarvoor waren vele andere namen in gebruik. De eigennaam Geul zou afgeleid zijn van de soortnaam geule, met de betekenis van smal en diep water. Het zou dan moeten gaan om diep ingesneden in het landschap. En dat past natuurlijk heel goed bij dit riviertje.
De Geul komt ten zuiden van Epen Nederland binnen. Tweederde van de rivier (ca 36 km), ligt in Nederland. De breedte van de dalbodem varieert van minder dan 100 meter in België tot meer dan 600 meter in Nederland. De Geul heeft in de loop der eeuwen vele meanders met afkalvende oevers gevormd. De meanders zijn min of meer vastgelegd doordat de Geul zich in het verleden diep heeft ingesneden in het omliggende landschap.
Bij normale waterstand varieert de diepte tussen de drie en de acht decimeter. Alleen bij watermolens, waar het water gestuwd wordt, kan de diepte oplopen tot anderhalf à twee meter.
De Geul behoort, samen met haar zijbeken, tot het stroomgebied van de Maas. Een stroomgebied is het gebied dat afwatert op een bepaalde rivier en zijn zijrivieren.
Het verval (hoogteverschil tussen twee plaatsen) tussen de bron in de Belgische gemeente Raeren (280 m boven N.A.P.) en de uitmonding in de Maas bij de Nederlandse gemeente Meerssen (38 m boven N.A.P.) bedraagt 242 meter.
De Geul heeft van bron tot uitmonding een lengte van 56 km, dus het verhang (het verval per km) bedraagt 242 m / 56 km = 4,3 m/km.
De Geul is een regenrivier en heeft een ongelijkmatig regiem (schommelingen in de waterafvoer van een rivier in de loop van een jaar). De wisselende waterstanden hangen samen met de sterk wisselende hoeveelheid neerslag in het stroomgebied.
Het jaargemiddelde debiet (aantal m³ water dat op een bepaalde punt per seconde passeert) bedraagt 1 m³/sec bij Epen en neemt toe tot 3 m³/sec bij Meerssen.
In Zuid-Limburg hebben boerderijen een duidelijk andere vorm dan in de rest van Nederland.
Boerderijen zijn uitgebouwd van een L- of U-vorm tot vierzijdig gesloten hoeven. Vaak werden ze uitgebreid met poortgebouwen en torens waardoor ze de uitstraling van een kasteel kregen.
De ontwikkeling van dit boerderijtype is het gevolg van schaalvergroting in de landbouw en de daarmee gepaard gaande behoefte aan meer stallen en schuren, zonder daarbij al te grote afstanden tussen de diverse bedrijfsgebouwen te creëren. Deze ontwikkeling verliep vanuit de langgevelboerderij via de L-vorm en vervolgens de U-vorm tot de uiteindelijke vierkantshoeve (met de mestvaalt op de binnenplaats).
Vakwerk, een vorm van houtskeletbouw waarbij het skelet aan de buitenzijde zichtbaar blijft, was tot in de 19e eeuw een gebruikelijke bouwwijze in Zuid-Limburg. Er werd eerst een constructie van forse balken gemaakt. De vakwerkbouw in Zuid-Limburg heeft behalve horizontale en verticale balken vaak ook diagonaal geplaatste balken (schoren), waardoor een stelsel van rechthoeken en/of driehoeken werd gevormd. In deze vakken werden verticale spijlen geplaatst en daar door heen werden horizontaal twijgen gevlochten. Het vlechtwerk werd afgesmeerd met een mengsel van stro en leem. Zo ontstonden stevige vakwerkboerderijen en vakwerkhuizen die, tot de dag van vandaag, de tand des tijds hebben overleefd. Het vakwerkskelet is vaak zwart, het pleisterwerk is meestal wit van kleur.
De Vaalserberg is een heuvel gelegen in de gemeente Vaals met een hoogte van 322,7 meter boven NAP. Het is hiermee het hoogste punt van Nederland op vast grondgebied.
Vlak bij de top van de berg ligt ook nog eens het Drielandenpunt, waar Nederland, België en Duitsland aan elkaar grenzen.

Maar het was toch een vierlandenpunt?
Ja en nee. Nu grenzen hier Nederland, België en Duitsland aan elkaar. Vroeger lag hier echter nog een vierde land, het merkwaardige Moresnet.
Het ministaatje Moresnet, slechts 11 vierkante kilometer groot, ontstond hier in 1815 toen Nederland en Pruisen het maar niet eens konden worden over een zinkmijn. Omdat beide landen na de val van Napoleon het gebied opeisten, werd besloten om het gebied een status aparte te verlenen. Het neutrale landje kwam daarmee onder gezamenlijk bestuur van Nederland en Pruisen.
Toen België in 1830 onafhankelijk werd van Nederland, ontstond bij Vaals een vierlandenpunt. Bijna honderd jaar later, in 1919, werd het staatje opgeheven. Na de Eerste Wereldoorlog deed Duitsland afstand van Moresnet en werd het gebied onderdeel van België.
Om erosie tegen te gaan werden in Zuid-Limburg op ontboste hellingen die als bouwland werden gebruikt heggen geplant. Door de aanplant van heggen werd afspoelend materiaal tegengehouden. Doordat er tegen de heggen materiaal aanspoelde en achter de heggen materiaal wegspoelde, ontstonden op den duur graften of steilranden, die leemhellingen in het Limburgse heuvelland verdelen in minder steile terrassen.
Behalve het tegengaan van erosie hadden de begroeide graften in het Zuid-Limburgse Heuvelland ook nog andere functies. Boeren plantten dichte heggen rondom hun weilanden om het vee niet te laten ontsnappen. In de heggen stonden ook grotere bomen en struiken: het zogenoemde boerengeriefhout (hakhout dat in en rond het huis werd gebruikt).
Sinds de 19e eeuw zijn veel graften verdwenen door kavel- en schaalvergroting. Soms is de locatie van een voormalige graft nog te herkennen aan een steilrand in een perceel. Vaak zijn de graften geheel weggeploegd.
De begroeide graften hebben een belangrijke ecologische functie als stapsteen en verbindingsweg voor flora en fauna. Graften kunnen eeuwen oud zijn en bestaan uit struiken als sleedoorn, meidoorn, wilde rozen, zwarte bes met daartussen (geknotte) overstaanders (oudere bomen) als es, eik, haagbeuk en zoete kers.
Een watermolen is een molen die het stromen of vallen van water, bijvoorbeeld in een beek of een rivier, door middel van een waterrad omzet in rotatie-energie, die nuttig kan worden gebruikt. De Epener Volmolen is een middenslagmolen. Bij middenslagmolens wordt het water halverwege het rad aangevoerd; het rad komt in beweging door zowel het gewicht als door de stroomsnelheid van het passerende water.
In 1761 wijkt de lakenfabrikant Johann Arnold von Clermont (1728-1795) uit naar Vaals. Hij hangt het Lutherse geloof aan en wordt daarom in zijn woonplaats Aken door de katholieken gedwarsboomd in zijn onderneming. De Epener Volmolen maakte in die tijd onderdeel uit van de Vaalser lakenindustrie die toen in volle bloei was. De afstand om het laken met paard en wagen van Vaals naar Epen en terug te vervoeren, was voor de fabrikanten geen belemmering. Door de ligging van de molen op de Geul was er een overvloed aan water beschikbaar om te kunnen vollen.
De watermolen is lange tijd in gebruik geweest voor het ‘vollen’ van geweven stoffen tot viltig en sterk laken. Vollen verbetert de kwaliteit van geweven stof. De stof wordt in grote eiken kuipen gelegd, die zijn gevuld met een mengsel van volaarde (een soort klei), lijnzaadolie, ranzige boter, urine en water. Stampers, aangedreven door de waterkracht van de Geul, drukken de stof plat. Veertien uur later is de lakense stof viltig, ruwer en sterker geworden.
De voor het vollen benodigde urine en ranzige boter loosde men na gebruik in de Geul. Niet vreemd dus, dat de Volmolen buiten de dorpskern van Epen is gebouwd.
In 1872 is de Volmolen omgebouwd tot graanmolen. Het graan dat er vandaag de dag door vrijwillige molenaars gemalen wordt, komt van natuurakkers en gaat naar een biologische veehouderij.
De boerenboomgaard was het traditionele type boomgaard in Zuid-Limburg. Dit waren aanplantingen van fruitbomen in percelen vlakbij de boerderij waarop ook vee geweid werd. De dieren zorgen voor een natuurlijke bemesting van het gras onder de bomen. De boomgaarden waren niet monotoon, maar juist heel divers en de verschillende soorten bomen stonden ook vrij ver van elkaar. De opbrengst was laag en de productie was volledig bestemd voor de lokale markt.
In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden weideboomgaarden. Niet langer lagen de boomgaarden rondom de dorpen, maar nu werden uitgestrekte, afgelegen percelen met fruitbomen beplant. Rond 1880 begon het onderhoud van de boomgaarden meer aandacht te krijgen. Oude, dode bomen werden met wortel en al gerooid en maakten plaats voor jonge exemplaren. Door de bemesting met kunstmest verbeterde de opbrengst en er kwamen ook allerlei chemische bestrijdingsmiddelen op.
Na 1960 begon de teruggang van de hoogstamboomgaarden, dit had te maken met diverse factoren. Het plukken van het fruit in de hoogstamboomgaarden was arbeidsintensief en bracht dus hoge plukkosten met zich. Bovendien was het aanbod aan fruitsoorten beperkt en was de omvang van de meeste boomgaarden te gering om tot een rendabele exploitatie te komen. Grootschalige laagstamboomgaarden kwamen steeds meer in de mode. Deze lagen ook niet meer in de nabijheid van de dorpen, maar op de plateaus en op flauwe hellingen met dikke lössbodems, waar de bomen dieper konden wortelen.
Kasteel Eijsden is een herenhuis met kasteelhoeve en ligt ten zuiden van Eijsden aan de Maas. Voordat het huidige kasteel in 1636 in opdracht van Arnold de Lamargelle werd gebouwd, stond er al een versterkt huis dat de Caestertburg werd genoemd.
De bouwstijl van kasteel Eijsden, Maaslandse renaissancestijl, is typisch voor de streek in de driehoek Luik - Maastricht - Aken. Kenmerkend is het gecombineerde gebruik van rode baksteen, hardsteen en mergel.
Het kasteelterrein is toegankelijk via een laag poortgebouw aan de oostzijde van het complex.
Bij het betreden van het terrein kijk je tegen de oostgevel van het imposante kasteel aan. In de hoektoren die de verbinding vormt tussen de oost- en zuidvleugel, bevindt zich de toegangspoort tot de binnenplaats van het kasteel. Een grotere hoektoren (één verdieping hoger dan de zuidoosttoren) verbindt de zuid- en westvleugel. Beide torens zijn voorzien van een fraai helmdak met knobbelspits. Het zijn geen zelfstandige torens, want de ruimten op de verdiepingen zijn in de torens doorgetrokken. Op de daken van het kasteel zijn veel dakkapellen aanwezig.
Omstreeks 1770 werd het kasteel ingrijpend verbouwd waarbij o.a. de meeste vensters werden vergroot. Rond 1885 werd het kasteel opnieuw gerestaureerd en in 1952 moest men opnieuw aan het werk, omdat een gevel van de toren op de zuidoosthoek in de gracht was gestort.
Kasteel Eijsden is privé bezit en alleen toegankelijk voor groepen op afspraak. Het kasteel ligt te midden van lanen, tuinen en weilanden en vormt samen met het kasteelpark een fraai geheel. De kasteeltuinen zijn deels vrij toegankelijk.
Het Maasdal bij Maastricht wordt gekenmerkt door een aaneenschakeling van rivierterrassen. Deze rivierterrassen zijn gevormd door sedimentatie en insnijding van de Maas tijdens afwisselende koude (glaciale) en warme (interglaciale) perioden gedurende de afgelopen 2,5 miljoen jaar.
Tijdens de glacialen (ijstijden) werden grove sedimenten (grind en zand) afgezet, terwijl tijdens de interglacialen (tussenijstijden) erosie plaatsvond en de Maas zich diep in zijn oude bedding insneed.
Als gevolg van de combinatie van tektonische opheffing van Zuid-Limburg, de afzetting van riviersedimenten en de periodieke insnijdingen van de Maas is een groot aantal rivierterrassen ontstaan.
De in het Maasdal gevormde terrasniveaus worden onderverdeeld in laagterras (het huidige stroomdal van de Maas), middenterras en hoogterras. De jongste terrassen liggen direct aan de Maas. Verder er vanaf, en dus ook hoger in het landschap, zijn de terrassen ouder. Omdat de Maas aan het begin van het Pleistoceen (2,5 miljoen jaar geleden) verder oostelijk stroomde, liggen de oudste en hoogste terrassen in het oosten van Zuid-Limburg.
De terrassen kunnen enkele kilometers breed zijn, maar ook veel smaller, afhankelijk van de mate waarin ze later geërodeerd zijn. De terrassen worden vaak gebruikt voor akkerbouw, omdat ze vlak zijn en vanwege de vruchtbare löss.
Daar waar de terrasovergangen een flink hoogteverschil hebben, zijn de steilranden vaak bebost en zichtbaar in het landschap. Aan de voet van de steilranden komt grondwater naar boven en ontstaan bron- en kwelmilieus: het beginpunt van een groot aantal terrasbeken, die het midden- en laagterras doorsnijden.
Te midden van het Zuid Limburgse heuvellandschap ligt een imposante begraaf- en gedenkplaats: de Amerikaanse Begraafplaats Margraten (Netherlands American Cemetery and Memorial). Er liggen in totaal 8.301 Amerikanen begraven, die tijdens de Tweede Wereldoorlog bij gevechten in de Ardennen, Zuid-Nederland en het Ruhrgebied zijn gesneuveld. Voor iedere soldaat staat er een wit marmeren kruis of davidster.
De toegangsweg leidt naar de trappen van het Ereplein. Voor de toren en het gedenkteken in brons, een rouwende moeder, ligt een vijver, waarin het gedenkteken zich spiegelt. In de toren, ruim 30 meter hoog en van veraf te zien, bevinden zich een kapel en een carillon.
De begraafplaats is ca. 26,5 hectare groot. De Nederlandse regering heeft de grond uit eerbied en dankbaarheid in eeuwigdurende bruikleen afgestaan aan de VS.
Margraten is de enige Amerikaanse begraafplaats uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Elk jaar op 28 mei, op Memorial Day, worden de doden herdacht.

EACH FOR HIS OWN MEMORIAL
EARNED PRAISE THAT WILL NEVER DIE
AND WITH IT
THE GRANDEST OFF ALL SEPULCHRES
NOT THAT IN WHICH
HIS MORTAL BONES ARE LAID
BUT A HOME
IN THE MINDS OF MEN
In de zuidelijke helft van Zuid-Limburg toont het landschap sporen van de kalkstenen ondergrond. De witbeige kalksteen dagzoomt in de steilranden van de dalen en in de groeves. De kalksteen is zo'n 70 miljoen jaar geleden ontstaan in het krijttijdvak. Toen vormden skeletjes van zeeorganismen, die op de bodem van een ondiepe tropische zee werden afgezet, op den duur een dikke laag kalksteen.
Kalksteen lost gemakkelijk op in zuur water, Dit oplossingsverschijnsel wordt karst genoemd.
In Zuid-Limburg voorkomende karstverschijnselen zijn dolines en orgelpijpen.
Een doline is een kuil in het landschap, ontstaan doordat kalk aan het oppervlak oplost of doordat een ondergronds gat instort.
Orgelpijpen zijn oplossingsgaten die door andere sedimenten zijn opgevuld. Bij kalksteenwinning worden orgelpijpen soms aangesneden waardoor ze goed te zien zijn.
De winning van losse kalksteen voor industriële toepassing (grondstof voor de cementproductie en de kunstmestbereiding) geschiedt in open groeven.
Groeve ´t Rooth is een open groeve waar de kalksteen in dagbouw wordt gewonnen. Bij winning in dagbouw wordt eerst de circa 15 meter dikke deklaag weggegraven en vervolgens wordt het kalksteenpakket van boven naar beneden afgegraven.
De groeve is gedeeltelijk heringericht en is uitgegroeid tot een uniek natuurgebied met hellingbossen en droge dalen, waar diverse zeldzame plant- en diersoorten zich hebben ontwikkeld.
Vele duizenden jaren waren de hellingen van de Bemelerberg met bos bedekt. Daar kwam zo'n 6.000 jaar geleden verandering in. De toenmalige bewoners hielden vee, zij verwijderden het bos en gebruikten de open terreinen als graasgebied. Hier ontstond heide en grasland, dat tot 1923 werd begraasd. Dat jaar vertrok de laatste schaapherder van Bemelen en de rondtrekkende kudde die de kalkgraslanden van de Bemelerberg 'beheerde', verdween met hem.
De Bemelerberg is één van de oudste bezittingen van Het Limburgs Landschap. Het beheer van de Bemelerberg bleek niet eenvoudig. Omdat schaapskudden ontbraken, groeiden de graslanden dicht. Zeldzame kalkgraslandplanten dreigden te verdwijnen. Daarom is struweel en bos gekapt en lopen er sinds 1979 weer schapen op de Bemelerberg, zodat openheid gegarandeerd is.
Naast beweiding op de Bemelerberg vond in de Bemelerberg ook kalksteenwinnig plaats. Van oudsher wordt in Zuid-Limburg kalksteen gewonnen en gebruikt als meststof en als bouwmateriaal voor huizen, kerken en vestingwerken. Bij ondergrondse winning wordt de kalksteen uitgezaagd. De oude term voor het loswerken van deze kalksteenblokken is blokbreken. De meeste kalksteenblokken werden in horizontale gangen met paard en wagen naar buiten gebracht.
Door de ondergrondse winning van kalksteen zijn in de afgelopen eeuwen een 250-tal grote en kleine gangenstelsels ontstaan. In de volksmond worden deze gangenstelsels "mergelgrotten" genoemd. De naam grotten is geologisch gezien niet correct, want het gaat niet om een karstverschijnsel (karst heeft te maken met het oplossen van kalksteen door de zure eigenschappen van regenwater) maar om mijnbouw. Ook de naam mergel (een gesteente bestaande uit klei en kalk) is onjuist, het betreft kalkgesteente. De “mergelgrotten” zijn in feite (ondergrondse) kalksteengroeven.
Een watertoren dient ervoor om constante druk op het drinkwaterleidingnet te garanderen, heel eenvoudig door gebruik te maken van de zwaartekracht. De vele liters water in het reservoir staan in rechtstreekse verbinding met het leidingnet. Daarnaast dient de waterbuffer in de toren om in een (plotseling) grotere vraag naar water te kunnen voorzien.
De watertoren van Schimmert, bijgenaamd de Reus van Schimmert, is gebouwd op het hoogste punt van het plateau van Schimmert, aan de zuidzijde van het dorp.
De 38 meter hoge watertoren dateert uit 1927 en is ontworpen door architect Jos Wielders die zich liet inspireren door de architectuur van de Amsterdamse School.
De toren is gebouwd in beton en met bakstenen omkleed. De toren heeft een ronde schacht met uitkragend vlakbodemreservoir. De twee ronde uitstulpende traptorens leiden naar het reservoir en het dakpaviljoen.
De toren is in de jaren 70 en 90 van de 20e eeuw en recentelijk eind 2008 opgeknapt.
Momenteel heeft de toren de status rijksmonument. WML (Waterleiding Maatschappij Limburg) heeft de toren in 2015 verkocht. Het is nog onduidelijk wat er met de watertoren gaat gebeuren.

Commentaar