-
-
23 m
3 m
0
1,3
2,6
5,11 km

1154 maal bekeken, 13 maal gedownload

nabij Rolleweg, Flanders (Belgique)

Wandelen van St AndriesAbdij naar Priorij van O-L-V van Betanie via de Domein Watermolenvijver.

Gedicht halverwege:

Met wastinekrijtjes
kleurt de natuur
op woeste grond
struiken en struwelen

en het liefst nog
buiten de lijntjes


Geert de Kockere


Geschiedenis Sint-Andriesabdij;

Robrecht II, graaf van Vlaanderen, stichtte rond 1100 een abdij te Sint-Andries, op de plaats van de huidige parochiekerk. Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij opgeheven, de bezittingen verkocht en de gebouwen afgebroken. Een eeuw later, in 1898, startte Dom Gérard van Caloen, benedictijn te Maredsous, met de oprichting van de huidige abdij. De nieuwe abdij zou monniken naar Brazilië zenden met het oog op de heropleving van het benedictijns leven in dit land.

Onder Dom Théodore Nève kende de abdij tussen 1912 en 1963 een grote ontwikkeling en werden de activiteiten veelzijdig. Hij zette de poorten van de abdij open op de wereld en zond zijn monniken ondermeer naar Kongo, China, Polen en India. De abdijschool die in 1910 begon, ontwikkelde zich verder. In deze periode kreeg de abdij een grote liturgische uitstraling, o.a. door het missaal, dat nog steeds beschikbaar is. Een aantal tijdschriften zagen het licht: een missietijdschrift, een liturgisch tijdschrift en een tijdschrift voor kerkelijke kunst.

In 1967 stichtte Zevenkerken het Monastère Saint-André de Clerlande (www.clerlande.com).

Op vandaag leven in de Sint-Andriesabdij een 25-tal monniken volgens de Regel van Benedictus, in dienst van God en de Kerk.



DE OORSPRONG VAN BETHANIE;

Dom Théodore Nève, abt van Zevenkerken, had een droom: een vrouwelijke tak met openheid voor missionering. Hij vindt enkele meisjes die geboeid zijn door het ideaal van 'moniale-apostel'. Na hun vorming in het Franse Angers betrekken ze in 1921 'klein Bethanië', een pand in de buurt van de abdij.

Moeder Marie-Paule Blomme wordt tot priorin gekozen.

Het jaar daarop al vertrekken drie zusters naar Congo, naar Likasi (Jadotville) in Katanga om er in de ontluikende Kerk het monastieke leven uit te dragen. Die pionierstijd is waarlijk heldhaftig. Zo moet er dringend een schooltje gestart worden: in het lokaaltje waarover ze beschikken, schuiven de zusters 's avonds de schoolbanken opzij en slepen hun matrassen aan voor de nacht.

In 'klein Bethanië' laat zich ondertussen de nood voelen aan een monastiek kader en in 1924 start de bouw van de priorij. Er doet zich in die periode een heuse roepingenexplosie voor: er sluiten meisjes uit verschillende Europese landen aan. In Bethanië lijkt het Europa van het derde millennium al gerealiseerd. De zusters stichten in 1927 het klooster Saint-Sauveur in Likasi en een tweede missiepost in de brousse. In de jaren dertig volgen nog enkele stichtingen in Congo.

In Loppem is men ondertussen volop aan het bouwen én ijverig jongeren aan het vormen om te vertrekken. De expansieve monastieke missionering in Katanga vraagt trouwens om 'versterking'. Maar moeder priorin benadrukt het belang van een solide vorming en… een goed evenwicht tussen monastiek leven en missionair charisma. Hier raken we het hart van de spiritualiteit van Bethanië: dat tegelijk wonderlijke en broze evenwicht tussen monnikendom en evangelisatie.

In 1936 aanvaardt Bethanië om mee te werken aan de heropbloei van het monastieke leven in Portugal en sticht er een priorij. Na het overlijden van moeder Marie-Paule Blomme in 1944 (het jaar waarin ook de eerste Congolese roepingen voor het monastieke leven ontwaken) wordt zuster Columba Nicolaers tot priorin gekozen. Ze zal dat na herhaalde verkiezingen meer dan veertig jaar blijven. Onder haar impuls sticht Bethanië in Katanga nog enkele priorijen. En ook daar worden omwille van de behoeften van de bevolking in de buurt van het klooster lokaaltjes gebouwd voor onderwijs, zieken- en melaatsenzorg en catechese. De verdere uitbouw van die diensten is vanuit menselijk oogpunt een absolute noodzaak. Maar die veeleisende opdracht dreigt het monastieke leven in gevaar te brengen. Om het eigen charisma te vrijwaren wordt in de loop van de jaren zestig een aantal priorijen aan apostolische congregaties overgedragen.

Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) nodigt die congregaties trouwens uit tot missie. En tegelijk verlangen de concilievaders dat de missie het pastorale, geloofsverdiepende aspect sterker zou beklemtonen. Vanuit hun eigen spiritualiteit gaan de benedictinessen van Bethanië graag op die oproep in. Zo wordt in 1963 de kleine priorij Emmaüs gesticht in Lubumbashi. De stichting in Curitiba (Brazilië) in diezelfde periode, als antwoord op de oproep van paus Johannes XXIII om de evangelisatie in Latijns-Amerika te ondersteunen, gebeurt vanuit diezelfde optiek. Beide priorijen verzekeren een monastieke aanwezigheid van gebed, gemeenschap en onthaal en bieden vorming en verdieping aan.

1969 is een cruciaal jaar voor de monialen van Bethanië. In het kielzog van het concilie gaat de liturgie van het Latijn naar de volkstaal over en wordt het Nederlands ook de omgangstaal in het gemeenschapsleven. Met het oog op zowat de helft van de ongeveer zestig zusters - de Franstaligen voor wie het Nederlands moeilijk is - ontstaan twee nieuwe stichtingen: Le monastère de l'Alliance in Rixensart en een kleinere priorij in de voormalige pastorie van Bossut, waar vooral oudere zusters terecht kunnen.

Bekijk meer external

Commentaar