Meba

Tijd  4 uur 27 minuten

Coördinaten 1080

Geüpload 28 januari 2018

Uitgevoerd januari 2018

-
-
206 m
-232 m
0
2,9
5,9
11,73 km

345 maal bekeken, 10 maal gedownload

nabij Trier West, Rheinland-Pfalz (Deutschland)

Wandeling (D) - Trier (Stadswandeling) - 12 km
De Römerbrücke is een Romeinse brug over de Moezel in de Duitse stad Trier. De brug maakt deel uit van de werelderfgoedinschrijving Romeinse monumenten, Dom en Onze-Lieve-Vrouwekerk van Trier. De eerste houten Romeinse brug op deze locatie dateert uit 17 v. Chr; de palen konden in 1963 op hun oudheid worden onderzocht. De eerste stenen brug dateert uit 45 n.Chr. De pijlers van de huidige stenen brug werden tussen 144 en 152 n. Chr gebouwd.
De berekende kraan , ook Alterzoll kraan of jonger Moselkran genoemd, is een havenkraan in Trier . Het barokke stenen gebouw met dubbele giek staat op de rechteroever van de Moezel, vlakbij het hoofdkantoor van de douane . De berekende kraan 1774 in opdracht van Trier gemeentelijke overheden , ontworpen door John Seiz als steen Turmtretkran met Doppeltreträdern, kraankolom (Kaiser boom), draai over 360 ° conisch dak met twee balansarmen en ketting met een eenvoudige poelie opgetrokken. Aan de noordkant bevindt zich een rechthoekige extensie. De kraan constructie diende om de 360 jaar oude, nog steeds gewapend ontladen oude Krahnens 250 meter stroomafwaarts, die sterk in de noodzaak van reparatie was op dat moment en het was pas in 1778 hersteld en voorzien van een tweede boom. In tegenstelling hiermee is de douane-kraan voorzien van een rondlopend, rondellfundament. In 1944 werd de douanekraan beschadigd. In 1984 werd hij gerenoveerd.
Het Karl Marx-huis (Museum Karl-Marx-Haus) is het geboortehuis van Karl Marx, in Trier. Het is ingericht als een permanent museum. Karl Heinrich Marx werd op 5 mei 1818 in de Brückenstraße 10 geboren als zoon van Heinrich Marx en Henriëtte Preszburg. Het gezin verhuisde al snel naar Simeonstraße 8, vlak bij de Porta Nigra. Karl Marx zou daar wonen tot hij, na het voltooien van zijn middelbareschoolopleiding aan het plaatselijke gymnasium, naar Bonn vertrok om rechten te gaan studeren. Het Karl Marx-huis is heropend in 1983, ter gelegenheid van de herdenking van de honderdste sterfdag van Marx, na een grondige verbouwing. Het huis werd in 1904 als geboortehuis van Marx geïdentificeerd. In 1928 kwam het in handen van de Duitse Sociaaldemocratische Partij (Sozialdemokratische Partei Deutschlands, SPD), die het op 5 mei 1931 had willen openen als gedenkteken voor Marx (en Engels). De toenmalige gespannen economische en politieke toestand noopte echter tot uitstel. In mei 1933 werd het door de nazi’s bezet en onteigend. Tot het eind van de Tweede Wereldoorlog was het in gebruik als partijgebouw en zetel van de nationaalsocialistische krant Nazionalblatt. Direct na de oorlog kreeg de SPD het huis terug. Op 5 mei 1947 kreeg het zijn bestemming als gedenkplaats terug. Vanaf 5 mei 1968 (de 150e geboortedag van Marx) presenteerde het zich onder regie van de Friedrich Ebert Stichting als museum, bibliotheek, onderzoeksinstituut en internationale ontmoetingsplaats. Het Karl Marx-huis wordt jaarlijks door duizenden mensen uit de hele wereld bezocht. Overigens gaan ook veel bezoekers een kijkje nemen op Simeonstraße 8, waar Marx het grootste deel van zijn jeugd woonde en waar tegenwoordig een opticien is gehuisvest. In de onmiddellijke nabijheid van het Karl Marx-huis (namelijk in Johannisstraße 28) bevindt zich het studiecentrum van de Friedrich Ebert Stichting, waar sinds 1981 de omvangrijke bibliotheek is ondergebracht en waar het onderzoekswerk wordt uitgevoerd. Tijdens de 190ste geboortedag van de Duitse denker (5 mei 2008) zijn er drie levensgrote beelden van Marx in de binnentuin van het Karl Marx-huis geplaatst. Deze beelden werden gemaakt door beeldhouwer Klaus Kammerlich.
Gebouw
Gebouw
De Dom van Trier (Dom St. Peter) is de kathedraal van Trier en de oudste bisschopskerk van Duitsland. Hij gaat in de kern terug op een Romeinse basilica die vanaf 326 werd gebouwd door de Romeinse keizer Constantijn de Grote. In de 11de eeuw kreeg de dom zijn huidige westfaçade, die de Salische stijl vertegenwoordigt. De dom van Trier staat sinds 1986 op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. Keizer Constantijn begon in 326 niet alleen met de bouw van zijn basiliek in Trier, maar ook met de Oude Sint-Pietersbasiliek van Rome, de Graf- en Verrijzeniskerk in Jeruzalem en de Geboortekerk van Bethlehem. Waarschijnlijk werd de kerk in Trier gebouwd op de plaats van het paleis van keizerin Helena, de moeder van Constantijn. Omtrent de Romeinse kerk doen twee theorieën de ronde: het geheel bestond uit een indrukwekkend complex van twee grote, naast elkaar liggende basilica's, waarvan de huidige dom en de naastgelegen tegenwoordige (gotische) Onze-Lieve-Vrouwekerk elk slechts de helft vormden en die in het midden verbonden waren door een groot vierkant doopvont. sinds archeologische opgravingen in de periode 1992 – 1995 gaat men ervan uit, dat er sprake was van een ingewikkelder gebouwencomplex met meerdere basilieken (waarschijnlijk vier) die met elkaar verbonden waren door zalen en gangen (Zwischentrakte) en die tezamen een geweldige omvang hadden. In de tweede helft van de 4e eeuw werd het noordoostelijke deel van de oorspronkelijke kerk afgebroken en werd op de plaats van de huidige dom een vierkant gebouw met een 45 m hoge vieringtoren neergezet. In het midden daarvan stonden 4 bijna 12 meter hoge granietzuilen, elk ca. 65 ton zwaar. Voor het zuidwestelijke portaal van de huidige dom ligt nog een deel van een van die zuilen, die al in de eerste helft van de 5e eeuw neergehaald zijn, in de verwarring van de grote Volksverhuizing. De kerk werd pas in de 6e eeuw door bisschop Nicetius met hulp van "Italiaanse bouwers" hersteld. Met Pasen 882 werden tijdens een inval van de Noormannen de kerken van het domcomplex in brand gestoken. Onder het bewind van bisschop Egbert (977-993) begon men met een renovatie, die niet werd voltooid. Aartsbisschop Poppo van Babenberg (1016-1047) voltooide deze renovatie. Bovendien kreeg de dom toen zijn thans nog bestaande westwerk: een apsis en twee romaanse torens, met op de uiterste hoeken ronde traptorens. Het is de oudste westfaçade met een dwerggalerij. Op het einde van de 12e eeuw werd het oostkoor uitgebouwd. Bij de altaarwijding op 1 mei 1196 werd de reliek van de Heilige Rok in het hoofdaltaar ingemetseld. In de 12e eeuw werden de Trierse aartsbisschoppen ook keurvorst. Trier werd de hoofdstad van het keurvorstendom tot 1801. De laatste Trierse keurvorst was Clemens Wenceslaus van Saksen (1768-1801). In het begin van de 16e eeuw werd de zuidwestelijke toren verhoogd om boven de St. Gangolf aan de Grote Markt uit te blijven steken. In de 18e eeuw werd aan het oostkoor de zgn. Heiligdomskamer gebouwd: een barokke kapel waar de Heilige Rok werd opgehangen in een zilveren schrijn. Om vanuit de kerk deze schrijn te kunnen zien werd boven het altaar de oostelijke wand doorbroken. De omranding van de opening werd met veel barok beeldhouwwerk versierd.
De Porta Nigra (Latijn voor 'Zwarte Poort') is een stadspoort uit de Romeinse tijd in de Duitse stad Trier. Het bouwwerk, dendrochronologisch gedateerd in het jaar 170, is ook het oudste monument van zijn soort in Duitsland.[1] Het is de noordelijke poort van de 6418 m lange stadsmuur die tussen 160 en 200 n.Chr. werd opgetrokken. De poort is 36 m breed, 21,5 m diep en 30 m hoog. De poort bestaat uit op elkaar passende zandsteenblokken, zonder voegen. De stenen waren oorspronkelijk verbonden door ijzeren krammen, vergelijkbaar met de stenen van het Colosseum. Door verwering en roetafzetting werden de zandsteenblokken, oorspronkelijk licht van kleur, in de loop der eeuwen zwart. Hierdoor kreeg de poort in de middeleeuwen zijn huidige naam. De oorspronkelijke Romeinse naam is niet bekend. Aangezien de poort voor militair gebruik was bestemd, zijn alleen de hogere verdiepingen voorzien van openingen met bogen in de vorm van een venster. Aanvallers die erin slaagden de buitenste poorten te overwinnen, konden op de binnenplaats van alle kanten bekogeld worden. In de middeleeuwen haalde men de ijzeren krammen uit de stenen, omdat metaal kostbaar was. De talrijke uitsparingen in de stenen van de muren getuigen nog van deze roof. Ook de stenen zouden geroofd geweest zijn, net als bij de andere poorten van de stadsmuur, ware het niet dat er in het begin van de 11e eeuw de Griekse kluizenaar Simeon in de ruïnes van de poort was komen wonen. Na zijn dood in 1035 werd hij als heilige vereerd en de toenmalige aartsbisschop van Trier, Poppo (1016 -­ 1047) liet reeds in de 11e eeuw een kerk bouwen, de St. Simeonskerk. In deze dubbelkerk werd de Porta Nigra opgenomen. Vandaag herinnert de apsis aan de oostelijke zijde nog aan deze kerk. Alle andere aanbouwen zijn onder Napoleon verwijderd. Andere sporen van deze kerk, zoals beeldhouwkunst in rococostijl, zijn te vinden in de zuilengangen op de bovenverdiepingen. Zowel de toren als de naburige Simeonstift werden tijdens het Franse bewind (1794-1814) geseculariseerd. Op last van Napoleon werd de poort na 1804 in haar oorspronkelijke staat hersteld. Tussen 1822 en 1875 werd de Porta Nigra weer als stadspoort gebruikt. Tussen 1969 en 1973 onderging de Porta Nigra uitgebreide conservatiewerken. In 1986 werd de Porta Nigra samen met andere monumenten in Trier toegevoegd aan de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De Porta Nigra is thans eigendom van de deelstaat Rijnland-Palts (Generaldirektion Kulturelles Erbe). Direct aan de Porta Nigra grenzend ligt het Simeonsklooster (Stift). De toegang tot de kloostergang (Kreuzgang) ligt op de eerste verdieping van de Porta Nigra. Het is de enige vroegromaanse kruisgang die in Duitsland bewaard is gebleven. Tegenwoordig herbergt het Simeonsklooster het bureau voor toerisme en het stedelijk museum (Städtisches Museum Simeonstift).
De Basilica van Constantijn (Latijnse naam: Aula Palatina) in Trier, is een uit baksteen opgetrokken basilica, die waarschijnlijk omstreeks 310 gebouwd is, tijdens de regeringsperiode van Constantijn de Grote. Het gebouw is gelegen op een plateau dat in de Romeinse tijd reikte van waar nu de Onze-Lieve-Vrouwekerk is tot de Keizerthermen. Er direct naast staat het Keurvorstelijk Paleis, residentie van de keurvorsten van het Aartsbisdom Trier, van de 17e eeuw tot 1794. Vroeger had de basilica de functie van een paleis; het was de troonzaal van Constantijn de Grote (306-337) als hij in het noordwesten van het Romeinse Rijk was. De grote zaal is 30 meter hoog, 27 meter breed en 67 meter lang, wat zelfs nog groot is voor onze standaarden vandaag. Met de grootte van het bouwwerk wilden de Romeinen de grootsheid en macht van de keizer benadrukken. Deze intentie wordt versterkt door een optische illusie, die de zaal nóg groter doet lijken. Daarbij is de hal de grootste die intact gebleven is uit heel de Romeinse oudheid. Het interieur was gedecoreerd met mozaïeken, kleurrijk marmer en beelden. Om het geheel nog aangenamer te maken, werd het paleis nog voorzien van een vloerverwarmingssysteem. De buitenkant was helemaal bepleisterd en had een galerij over heel zijn lengte onder de ramen, die 7 meter hoog zijn en 3,5 meter breed. Alle pracht en technologie van de Romeinen werd in 475, bij de val van het Romeinse Rijk, door Frankische troepen vernield. Later werd de basilica door aartsbisschop Johann I. (1189-1212) omgebouwd tot een burcht en gebruikt als een bestuurlijk centrum. In 1614 werd hij uitgebreid met drie nieuwe paleisvleugels. Bij de bezetting door Napoleon kreeg de basilica de functie van kazerne, die hij ook behield in de Pruisische tijd. Vele Pruisische militairen en beambten waren evangelisch-luthers en hadden behoefte aan een eigen kerk. Daarom werd, sinds het midden van de 19e eeuw, de basilica ingericht als de eerste evangelisch-lutherse kerk in het overwegend Rooms-katholieke Trier, en voorzien van een orgel. In 1944 werd het gebouw verwoest door oorlogsgeweld, maar het is weer hersteld en werd in 1956 opnieuw als evangelisch-lutherse kerk in gebruik genomen. De basilica staat sinds 1986 op de Werelderfgoedlijst.
Het Keurvorstelijk Paleis was de residentie van de keurvorsten van het Aartsbisdom Trier, van de 17e eeuw tot 1794. Het paleis is een menging van de stijlen renaissance en rococo en staat pal naast de Romeinse Basilica van Constantijn. In de 19e eeuw werden daarom de westelijke vleugel van het paleis afgebroken, om de basilica opnieuw te kunnen opbouwen. In de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw zwaar beschadigd. Daaropvolgend werd het zogenaamde Nederslot (Niederschloss) afgebroken, met uitzondering van de rode toren en een portaal. Na de onteigening van de keurvorsten onder Napoleon werd het paleis in de 19e en begin 20e eeuw door Franse en Pruisische troepen als kazerne gebruikt. Tegenwoordig herbergt het verschillende overheidsorganen en zijn delen van de noordvleugel door een protestantse gemeente in gebruik. Delen van de zuidvleugel hebben representatieve doeleinden. Opgravingen toonden aan dat de bouwplaats van het paleis al in de Romeinse tijd bebouwd was. Slechts weinig resten uit de tijd van Constantijn de Grote zijn behouden. Wel bleven enkele mozaïekstukken bewaard. Toen Trier in 1794 door Franse troepen werd bezet, werd de paleistuin voor het publiek opengesteld, de functie die het sinds het begin van de 20e eeuw opnieuw kreeg.
Het Rheinisches Landesmuseum Trier is een van de belangrijkste archeologische musea in Duitsland. Zijn verzameling strekt zich uit van de prehistorie tot de Romeinse tijd , de middeleeuwen tot de barok . Maar bovenal is het Romeinse verleden van de oudste stad van Duitsland - Augusta Treverorum , de huidige Trier - in het Landesmuseum Trier vertegenwoordigd op basis van archeologische vondsten.
Het Amfitheater van Trier is een Romeins amfitheater in de Duitse stad Trier. Het amfitheater van Colonia Augusta Treverorum werd tussen 160 en 200 n.Chr. gebouwd. In het theater werden onder meer gladiatorengevechten gehouden en executies uitgevoerd, maar ook jachtpartijen, muziekvoorstellingen en religieuze spelen georganiseerd. Opmerkelijk aan dit amfitheater is dat het nog een heel ander doel diende. Het gebouw maakte deel uit van de stadsomwalling en werd gebruikt als de oostelijke stadspoort. De toegangsweg liep dwars door de arena heen. Bij de Germaanse invallen in 406-407 bleef Augusta Treverorum niet gespaard, volgens kroniekschrijver Fredegar verdedigen de burgers zich heldhaftig maar tevergeefs in het amfitheater. Vondsten in de kelder van het amfitheater tonen aan dat het zeker tot in de zevende eeuw in gebruik is gebleven; lang na de val van het West-Romeinse Rijk. In de twaalfde eeuw kwam het bouwwerk en de grond toe aande abdij van Himmerod. Het amfitheater verviel weldra tot een ruïne doordat de lokale burgers er stenen verwijderden om bij nieuwbouw in de stad te kunnen hergebruiken. De tribunes, gereduceerd tot zandhellingen, werden benut voor wijnbouw. Het amfitheater werd gebouwd tegen de helling van de Petrisberg. Hierdoor was het niet noodzakelijk om de tribunes geheel met kunstmatige constructies te ondersteunen. De buitenring heeft afmetingen van 140 bij 120 meter, de arena is 75 bij 50 meter. Onder de vloer van de arena ligt nog de kelder van waaruit de gladiatoren en wilde dieren met liften de arena in werden gehesen. Deze vloer is pas later, in het verloop van de derde of zelfd vierde eeuw, aangelegd. Sinds 1816 heeft er gefaseerd archeologische onderzoek plaatsgevonden. Het meest recente onderzoek vond plaats tussen 1996 en 1999 door het Rheinisches Landesmuseum Trier. In 1986 werd het amfitheater samen met de andere Romeinse bezienswaardigheden van Trier op de werelderfgoedlijst van Unesco geplaatst. Het amfitheater wordt tegenwoordig nog gebruikt voor festivals en concerten.
De Keizerthermen (in het Duits: Kaiserthermen) waren Romeinse badhuizen in Trier waar men niet alleen kon baden maar ook bijvoorbeeld sporten en gemasseerd worden. De Keizerthermen staan sinds 1986 op de UNESCO-werelderfgoedlijst. De Keizerthermen werden gebouwd rond en na 300 n.C. Het complex werd in drie lagen gebouwd. Op de onderste, eerste laag liepen de waterbuizen, de verwarmingsstelsels en de stookplaatsen voor het vuur om het water voor de warmwaterbaden te verwarmen. Dit werd door de slaven gedaan. Ook op de tweede laag liep bediening voor het warm houden van het water voor de warmwaterbaden. Het water werd verwarmd tot ongeveer 40 graden. Op deze laag zat ook de vloerverwarming, het hypocaustum. De eerste en tweede laag zijn het best bewaard gebleven. Op de derde laag waren de warm-, koud- en lauwwaterbaden, zwembaden, massageruimtes, zweetruimtes en kleedruimtes. Deze laag was versierd met mozaïeken, beschilderingen, en beeldhouwwerken. In tegenstelling tot de Barbarathermen zijn de Keizerthermen nooit gebruikt voor het doel waarvoor ze bestemd waren. Halverwege de 4e eeuw vertrok keizer Constantijn II uit Trier naar Byzantium. Keizer Constantijn schonk de Keizerthermen aan de bevolking, maar de bouw werd nooit voltooid omdat de keizer Trier verliet. Zijn opvolger, keizer Valentinianus I, begon na 360 met de voltooiing van het complex in een kleinere versie dan oorspronkelijk gepland was, en liet het koud- en lauwwaterbad verwijderen. Hier werd een hal van gemaakt, bedoeld voor ontvangsten en parades. In de middeleeuwen deed het gebouw dienst als deel van de stadsmuur.
Donna Mia restaurant
Bastion Südallee
De Barbarathermen zijn Romeinse thermen in Trier. Ze zijn het grootste Romeinse thermencomplex ten noorden van de Alpen en zijn gedurende meerdere eeuwen in gebruik gebleven. Thans zijn alleen de funderingen nog zichtbaar. De Barbarathermen werden gebouwd in de tweede helft van de 2e eeuw. Het oudere complex onder de Viehmarkt was waarschijnlijk te klein geworden voor de sterk groeiende bevolking. De oorspronkelijke afmetingen waren 172 bij 240 m (41.280 m²). Het water werd aangevoerd door de Ruwerwaterleiding. Bij de bouw was het het grootste thermencomplex na de Thermen van Trajanus in Rome. Een dergelijke constructie kon toen alleen met overheidsgeld gefinancierd worden. De invallen door Germaanse stammen in de 3e eeuw hebben de thermen nauwelijks beschadigd. De vondsten van munten en keramiek bevestigen het gebruik tot zeker eind 4e eeuw. Pas bij de vernielingen van Trier begin 5e eeuw werden de thermen buiten gebruik gesteld. Uit die periode zijn verbouwingen tot woningen merkbaar, die aan de oorsprong van de wijk Sint-Barbara liggen. Later kende de locatie verscheidene aanwendingen, waaronder als steengroeve, maar er stond ook wellicht een kerk in de Merovingische periode. In de middeleeuwen werden de constructies onderdeel van de stadsverdedigingswerken.

Commentaar