-
-
90 m
15 m
0
2,1
4,1
8,25 km

3756 maal bekeken, 20 maal gedownload

nabij Vertrijk, Flemish Region (Belgique)

De oudste schrijfwijze “Vertreiik” komt uit een schenkingsakte van 1122 waarmee ene dame Geva van Leuven gronden onder “Vertreiik” aan de abdij van Affligem schenkt.
In de Romeinse tijd liep er, van de Romeinse Vicus te Tienen, een heirbaan over Kumtich en Vertrijk (Kerkweg en Keizerstraat) naar Leuven. Gronduitbatingen waren er in Vertrijk op de Grote Kouter en het Hoefveld volgens Wauters, stadsarchivaris van Tienen. Van de Frankische en Karolingische tijd dateren de vestigingen Redingen, Dalem, ter Sluizen,
Op het kerkplein op de Scherpenberg waar momenteel de kerk van Vertrijk staat, stond in 1500 een lemen kosters – annex pastoriegebouw dat ook dienst deed als parochieschool. In 1796 werd de stenen kosterswoning gebouwd.
De hoeve Demunter aan de overzijde van de kerk werd in de 15de eeuw bewoond door deze familie, samen met een andere, eveneens aan de overkant van de straat.
Deze laatste, waar de tiendenschuur van Villers aan verbonden was, werd in 1635 door vreemde troepen vernield.
Rond 1600 kwam de boerderij in handen van de familie Vleminckx. Van deze familie is een grafkelder in de kerk met op de deksteen: “ Hier leet begraeven Sieur Mathias Vleminckx sterft 12 februari 1660 ende jonkvrouwe Maria de Beaulis zijne huisvrouwe die sterft 27 juni 1686 Bidt voor hen”
In de Karolingische tijd maakte Vertrijk, samen met 57 andere gemeenten, deel uit van het graafschap Brunenrode en kerkelijk behoorde het tot het bisdom Luik. Rond 980 verkreeg aartsbisschop Notger van Luik de heerlijke rechten over Brunenrode van de Duitse keizer Otto III.
In 1162 schonk de Prins-bisschop de Luikse patronaatsrechten over Vertrijk aan zijn Sint Lambertuskapittel. Dit kapittel beheerde ook Koutem.
De huidige kerk staat op de plaats van een 10de eeuws Romaans kerkje dat waarschijnlijk in opdracht van het keizerlijk domein van Loofort werd gebouwd. Het domein van Loofort is wellicht gebouwd op de grondvesten van een Romeinse villa en lag vlakbij het ronde punt aan de overzijde van de Velp, in de beemden.
In de 12de eeuw werd aan dit Romaans kerkje de huidige toren aangebouwd. Het Romaanse schip en koor werden in de 14de eeuw door een Gotisch vervangen. De enige restanten hier van zijn het zuidelijk traptorentje en 4 kolommen in het schip.
In opdracht van het Luiks Sint Lambertuskapittel werd in 1489 begonnen aan de uitbouw van een Gotische kapittelkerk. Zonder de bestaande kerk af te breken werden in 1540 koor- en zijbeukwerken beëindigd.
In 1559 werd, door herschikking van de kerkelijke provincies, het aartsbisdom Mechelen opgericht waardoor Luik hier geen kerkelijke invloed meer had.
Door een ruil werden de Luikse tienden- en patronaatsrechten in 1582 overgedragen aan de abdij van Villers la Ville. De abt van Villers liet in 1732 het nog bestaande 14de eeuws schip door het huidige classicistische vervangen. In 1906 werd de 18de eeuwse sacristie door de huidige vervangen.
In opdracht van de abdij van Villers werd in 1784 de pastorie gebouwd. De ommuring dateert echter uit de 19de eeuw. Op enkele storende uitbreidingen na is ze nog origineel. De tuin had een kruisvormige indeling.
Eén arm van dat kruis geeft uit op het natuurlijk “Gotisch poortje”. In het benedendeel van de tuin is de vijver een restant van een afgesneden meander van de Velpe.
In vroegere tijden heette het paadje naar de St.-Luciakapel aan de Velp “Via Regna”, wat verwijst naar het koninklijk domein Loofort.
Links van dit paadje zijn vele pestgraven gevonden. Dit perceel heette tot de jaren 1700 het “Potenhof ” (knoken- of knekelhof ).
In de Karolingische periode was deze plek een onderdeel van het Caemergoed Loofort (Loo = bos, voort = doorwaadbare plaats). Het omvatte een gronduitbating en een “slachmolen”. De slachmolen heeft tot circa 1500 koren gemalen en lijnzaad geplet. Zijn waterkracht haalde hij uit een vijver van ca. 70 aren die door het Koningsvlietje gevoed werd.
De oudste gekende uitbater van het winhof was de familie Van den Borchhoven. Uit dat winhof is ook de waterburcht Loofort ontstaan met een Van den Borchhoven als leenman van de graaf van Leuven, later van de hertog van Brabant.
Sint-Lucia van de kapel Sint Lucia in de Luciënbeemd wordt aanroepen tegen bloedkwalen, oogziekten, en blindheid. Haar feestdag van 13 december valt samen het vroegere midwinterfeest. De Luciadevotie te Vertrijk dateert uit de 14de eeuw toen er, na de kruistochten, regelmatig epidemieën van pest, cholera, tyfus en melaatsheid uitbraken; ziekten die als bloedkwalen omschreven werden. In 1316, 1348 en 1362 kwam de pest over Vertrijk en tijdens die laatste uitbraak stierf de helft van de bevolking.
De slachtoffers werden in gemeenschappelijke graven bijgelegd maar niet op het gewone
kerkhof; men durfde pestgraven niet opnieuw gebruiken en vandaar het ontstaan van het
“Potenhof ”. Van de pestgolven uit 1401, 1409 en 1420 bleef Vertrijk gespaard wat een zeer sterke impuls gaf aan de devotie tot de Heilige Lucia te Vertrijk
Tussen 1508 en 1514 laat Jan Van der Ee, op de plaats van de huidige kapel een bron uitgraven en inmetselen, wat nu nog de onderbouw van de kapel is.
In 1796, juist voor de sluiting van de kerk door de Fransen wordt, onder impuls van pastoor Vanderborght en koster Naets, de huidige kapel op de bestaande bronput gebouwd.
Eén van de gulle schenkers was kerkmeester Johannes Van der Vorst wiens initialen “JVDV.KM” iets onder en rechts van de kapeldeur gebeiteld staan.
Na de bouw van de bonput werd een 15de eeuws gepolychromeerd Lucia beeld, uit de kerk, naast de bronput aan een boom bevestigd.
In 1796 werd dat beeld in 1976 om veiligheidsredenen terug naar de kerk verhuisd.
De huidige kadastrale benamingen van dit gebied zijn nog steeds Caemerveld en Keizerryck, die refereren naar het keizerlijk domein Loofort.
Priester Gilis woonde in de Maagdomstraat tot zijn dood met zijn “maegd” of meid en tot midden vorige eeuw werd, in de volksmond, de Maagdomstraat ook “Geestelijken Hoek” genoemd.
De spoorweg werd in 1837, met een enkel spoor, in gebruik genomen. Het brongebied van de Kleine Vondelbeek, waar de spoorlijn doorloopt, was de vroegere “Yndenbeemd (eendenbeemd)” van het Caemergoed Loofort.
De Oude Aarschotsebaan was de vroegere verbindingsweg tussen Aarschot en Geldenaken.
Hij brengt ons naar 97,5 m boven de zeespiegel, het hoogste punt van Vertrijk.
Vanop de viersprong helemaal op het hoogste punt en dan scherp naar links daalt het terrein naar het kasteelbos af. Tot de jaren 1400 was dit een tichelrij waar bakstenen en pannen gemaakt werden. De weg links heette op oude kaarten de Tichelrijstraat en brengt ons ook naar het kasteeldomein. We hebben echter de beter begaanbare weg genomen rechtdoor en zo naar het kasteel van Kwabeek.
Het kasteel doet nu dienst als gemeentehuis. Het Sterrenbos, de hoeve met aanhorigheden en de molen zijn privébezit. Het domein vindt zijn ontstaan in een Frankisch heim, dat zich op
de huidige boerderijsite situeerde. Het is ook op deze plaats dat de eerste versterkte woonfunctie ontstaan is, getuige daarvan is de nu ingebouwde donjon.
Uit deze versterking is, op de plaats waar het kasteel nu staat, de latere waterburcht Kwabeek ontstaan. Het domein Kwabeek was binnen het hertogdom Brabant een heerlijk goed dat aan de hertog geen leenhulde verschuldigd was. De molen was, langs de abdij van Affligem om, wel leengoed van de hertog en werd altijd door de heren van Kwabeek in leen gehouden.
Het gebouw “ De Zeerovers”, is het vroegere hoveniers- en boswachtershuis.
Rechts daarvan, in het bos, is de nog quasi intacte ijskelder te zien waarin tot eind 19de eeuw ijs uit de vijver werd opgeslagen.
Het kasteel staat op de grondvesten van de vroegere waterburchten die in de loop der tijden verschillende malen werden verwoest.
Pas in 1829 liet de toenmalige eigenaar, Ridder Philippe de Wouters ‘d Oplinter de Bouchout, met het puin van ringmuur en ophaalbrug de ringgracht dichten.
Het kasteel heeft in 1922, onder Antoine Ernst de Bunswyck, zijn huidig uitzicht gekregen.
Zijn wapenschild staat boven de toegangsdeur met daarin zijn lijfspreuk “ Sine Invidia Laudem” of “Als ik iemand loof wil ik dat doen zonder afgunst”.
De boerderij is de eerste versterkte woonplaats van Kwabeek waarvan de vierkante, ingebouwde, donjon nog een restant is.
De bakoven was er niet alleen voor het kasteel maar voor alle bewoners van het domein.
Nu bakt de heemkundige kring er nog iedere tweede maandag van de maand.
Reeds in de Frankische tijd was hier een watermolen. Het huidige gebouw dateert van 1826.
Vanaf 1826 vergaderden de schepenen in de “beste plaats” van de molen en werden er ook de
gemeentearchieven bewaard.
Toen de molen nog in werking was ging men hier, gelijkgronds, naar het keldergedeelte.
Aan het driehoekig dorpsplein stond de herberg en brouwerij “Den Hert”.
In één vertrek van het toenmalige gebouw was, tot de Franse Revolutie, de Vertrijkse schepenbank gevestigd. Na de Franse revolutie en tot 1826 bleven de schepenen hier
vergaderen en werd er ook het gemeentearchief bewaard. Dit huis was ook een vrijhuis. Wie er na een vergrijp in vluchtte ontsnapte aan de mogelijke aanhouding door de lagere
rechtsmacht en kon, zolang men binnen bleef, alleen door de meier van Tienen gearresteerd worden. In Vertrijk waren er nog 2 vrijplaatsen: de woning van Wouter Coelaerts (Dreefstraat 17) en het kasteel van Kwabeek.
Vanaf de bouw van het gemeentehuis werden de vergaderingen van de schepenen hier gehouden en verhuisde het gemeentearchief van de Kwabeekmolen naar deze “nieuwbouw”. Tevens was er een dodenhuisje voorzien waar de overledenen opgebaard werden. Van begin 20de eeuw tot circa 1990 was in de Honsemsestraat het centrum van de Vertrijkse druiventeelt onder gla met ongeveer 200 verwarmde serres op het hoogtepunt.
Hier was vlakbij een Romeinse hoeve gevestigd die nog lang na de Frankische tijd in uitbating was. In Koutem is rond 1500 de bewoning er verdwenen.

Commentaar